Het ontwerp van het circulaire viaduct over de A76 bij de Daelderweg is in belangrijke mate gebaseerd op het hergebruik van bestaande HNP-liggers uit het voormalige Keizer Karelviaduct. Om dit hergebruik mogelijk te maken, is onderzoek gedaan naar de capaciteit van deze liggers. Hierbij zijn enkele liggers tot aan bezwijken beproefd. De gemeten bezwijkbelastingen en waargenomen faalmechanismen zijn geanalyseerd en vertaald naar ontwerpwaarden voor hergebruik, met toepassing van de methode Design Assisted by Testing uit NEN-EN-1990.
Bezwijkproeven voor
hergebruik van
liggers in de A76
Onderzoek naar capaciteit HNP-liggers voor circulair viaduct (2)
1 Ligger na bezwijken
1
16?CEMENT?5 2026
Het gaat in het project om voor-
gespannen prefab-liggers van het
type HNP75/98 (fig. 2)
. Voor deze lig-
gers ontbreken specifieke ontwerpvoor-
schriften voor hergebruik. Tegelijkertijd
leidt verificatie volgens de huidige Eurocode-
regels voor nieuwe constructies tot onvol-
doende dwarskrachtcapaciteit, vanwege het
ontbreken van effectieve dwarswapening [1].
De normatieve dwarskrachtmodellen uit
NEN-EN?1992 1 1 sluiten daarmee onvoldoen -
de aan op het werkelijke gedrag van bestaan-
de prefab-liggers, waardoor hergebruik niet
is te onderbouwen met de gangbare reken-
modellen.
Om de liggers toch op een betrouwbare
manier te kunnen hergebruiken, is ervoor
gekozen de capaciteit te bepalen op basis
van testen. In een eerder artikel in Cement is
beschreven hoe de liggers zijn geoogst en
hoe een testprotocol is ontwikkeld om de
werkelijke dwarskrachtcapaciteit experi-
menteel vast te stellen door middel van full
scale bezwijkproeven. Daarbij lag de nadruk
op de praktische uitvoerbaarheid van het
oogstproces en de opzet van het experimen-
tele onderzoek. Dit vervolgartikel richt zich
op de analyse en interpretatie van de testre-
sultaten.
Proefstukken en uitgangspunten
Voor de bezwijkproeven zijn 6 van in totaal
33 geoogste liggers gebruikt. Voor het aflei-
den van de statistische eigenschappen zijn
minimaal drie proeven in de kritische door-
snede nodig. Er zijn drie extra proeven uit-
gevoerd om meer inzicht te krijgen in het
gebied waar hetzelfde faalmechanisme werd
verwacht en om meer zekerheid te krijgen
over de oorspronkelijke aannames.
De oorspronkelijke lengte van de lig-
gers was circa 23,0 m (fig. 3). Ten behoeve
van de proeven zijn ze ingekort tot een leng-
te van ongeveer 20 m, wat overeenkomt met
de lengte van de liggers in het ontwerp voor
het nieuwe viaduct over de A76. Bij de be-
proevingen is een overspanning gehanteerd
van 17 m (tabel 1, fig. 4).
PROJECTGEGEVENS
project
A76 Daelderweg
opdrachtgever
Rijkswaterstaat PPO
hoofdaannemer
Strukton Civiel
Nederland
ontwerper
Antea Group
onderzoekspartij
Nebest (en TU Delft)
Het ontwerp van het circulaire viaduct over de A76 bij de
Daelderweg is in belangrijke mate gebaseerd op het
hergebruik van bestaande HNP-liggers uit het voormalige
Keizer Karelviaduct. Om dit hergebruik mogelijk te maken, is
onderzoek gedaan naar capaciteit van deze liggers. Hierbij
zijn enkele liggers tot aan bezwijken beproefd. De gemeten
bezwijkbelastingen en waargenomen faalmechanismen zijn
geanalyseerd en vertaald naar ontwerpwaarden voor
hergebruik, met toepassing van de methode Design Assisted
by Testing uit NEN-EN?1990.
CEMENT 5 2026 ?17
a
De liggers zijn uitgevoerd met puntlasten op
verschillende posities langs de ligger, uitge-
drukt in termen van de verhouding a/d ,
waarbij a de afstand tussen het belastings-
punt en de dichtstbijzijnde oplegging is en d
de effectieve hoogte van de doorsnede. De
belastingsposities zijn zodanig gekozen dat
het maatgevende faalmechanisme voor her-
gebruik kon worden onderzocht, met na-
druk op afschuif buigbreuk.
De liggers zijn beproefd inclusief de oor-
spronkelijke gewapende betonnen druklaag
(gemiddelde dikte circa 210?mm). Het ver-
wijderen van de druklaag zou leiden tot een
niet representatief intern krachtsverloop en
is daarom bewust achterwege gelaten.
De materiaaleigenschappen van het
beton zijn bepaald op basis van boorkernen
uit de liggers. De strekte komt overeen met
betonsterkteklasse C80/95 (oorspronkelijke
2 Doorsnede HNP-ligger
3 Zijaanzicht HNP-ligger
4 Zijaanzicht testframe
IR. MAIKEL VAN
DOOREN
Productmanager
Constructieve
beproevingen & Analyse
Nebest
IR. JOSE PAREDES
PINEDA ENGD.
Specialist Onderzoek
Nebest
auteurs
2
3
4
Tabel?1 Gegevens beproefde liggers
ligger-ID overspanning [m] a [m] d [mm] a /d
22 17 3,35 838 4,0
15 17 3,75 833 4,5
32 17 4,15 830 5,0
06 17 4,15 830 5,0
09 17 4,15 830 5,0
30 17 4,98 830 6,0
18?CEMENT?5 2026
sterkteklasse was K600). De betonsterkte-
klasse is conform RBK 1.2 aangenomen op
C35/45. Deze is niet getest, aangezien hij bij
het hergebruik wordt vervangen. De liggers
bevatten nauwelijks effectieve dwarswape-
ning: de aanwezige beugels zijn niet veran-
kerd in de onderflens en voldoen niet aan de
huidige detailleringseisen uit NEN-EN?1992-1-1.
Waargenomen gedrag en
faalmechanisme
Tijdens de bezwijkproeven vertoonden alle
liggers een vergelijkbaar belasting en schade-
verloop. Het gedrag werd gekenmerkt door
een duidelijke opeenvolging van schadepro-
cessen, die consistent kon worden vastgesteld
op basis van visuele inspecties, akoestische
emissiemetingen (AE) (fig. 5) en Digital Ima -
ge Correlation (DIC) (fig. 6).
Bij toenemende belasting trad in eer-
ste instantie buigscheurvorming op aan de
onderzijde van de ligger. Dit moment ging
gepaard met een duidelijke toename van
AE-activiteit in de onderflens en een lichte
afname van de initiële stijfheid in het belas-
ting verplaatsingsdiagram. In deze fase zijn
geen aanwijzingen gevonden voor schade in
het lijf of delaminatie van de druklaag.
Na het ontstaan van buigscheuren
ontwikkelden zich bij verdere belasting dia-
gonale scheuren in het lijf van de ligger.
Deze scheuren manifesteerden zich als af-
schuif-buigscheuren en concentreerden
zich tussen het belastingspunt en de dichtst-
bijzijnde oplegging. Zowel de AE-locatieplots
als de DIC-analyses bevestigden deze schade-
ontwikkeling (fig. 5 en foto 6).
Bij het bereiken van de maximale be-
lasting faalden alle liggers door het verder
ontwikkelen en samenkomen van diagonale
scheuren in het lijf, resulterend in afschuif-
buigbreuk (foto 8 en 1). Het bezwijken trad
relatief plotseling op en werd niet voorafge-
gaan door significante plastische vervor-
mingen. Voor geen van de beproevingen zijn
aanwijzingen gevonden voor afschuif-trek-
breuk, een puur buiggedomineerd faalme-
chanisme of delaminatie tussen ligger en
druklaag.
Testresultaten en gemeten
dwarskrachtcapaciteit
De resultaten van de bezwijkproeven zijn
samengevat in tabel?2. Voor iedere proef is de
belasting F
max
vastgesteld op het moment
van bezwijken (fig. 7), waarna de bijbehoren-
de dwarskracht V
u
in de kritieke doorsnede
is afgeleid, rekening houdend met eigenge-
wicht, voorspanning en belastingspositie.
Deze resultaten vormen de kern van de
experimentele onderbouwing voor het her-
gebruik van de liggers.
De proeven zijn uitgevoerd bij a/d- ver-
houdingen variërend van circa 4,0 tot 6,0.
Voor alle belastingsposities trad zoals gezegd
bezwijken op als gevolg van afschuif-buig-
5 Weergave AE-activiteit ligger 6 [2]
Voor iedere
proef is de
dwarskracht in
de kritieke door-
snede afgeleid
5
CEMENT 5 2026 ?19
breuk. De gemeten dwarskrachtcapaciteit
nam af bij toenemende a/d- verhouding, in
lijn met het waargenomen faalmechanisme.
De maatgevende posities zijn vooraf
bepaald op basis van een analytische en nu-
merieke beschouwing. Daaruit volgde een
maatgevende belastingspositie van a/d ??5,0.
Met die positie zijn drie liggers beproefd.
De gemeten dwarskrachtcapaciteiten (V
u
)
bedragen respectievelijk 784?kN, 824 kN en
827 kN, met een gemiddelde waarde van
812?kN. Bij lagere a/d verhoudingen (a/d ??4,0
en a/d ??4,5) zijn hogere capaciteiten geme-
ten tot 929?kN, terwijl bij a/d ??6,0 een lagere
capaciteit van circa 626?kN is vastgesteld.
De belasting-verplaatsingsdiagram-
men (fig. 7) laten zien dat de liggers tot het
ontstaan van de eerste scheuren een over-
wegend lineair-elastisch gedrag vertonen.
Het ontstaan van de eerste buigscheuren
kon consistent worden vastgesteld bij een
aangebrachte belasting tussen circa 580?kN
en 700?kN, afhankelijk van de belastingspo-
sitie. De uiteindelijke bezwijkbelasting ligt
hier substantieel boven.
Van proeven naar ontwerp:
Design Assisted by Testing
De experimenteel bepaalde dwarskracht-
capaciteiten vormen op zichzelf geen ont-
werpwaarden. Om de testresultaten toe te
kunnen passen in het ontwerp, is een ver-
taalslag nodig naar rekenwaarden die vol-
doen aan het vereiste betrouwbaarheidsni-
veau. Omdat voor dit type hergebruikte
ligger geen geschikte normatieve verificatie-
modellen beschikbaar zijn, is deze vertaal-
slag uitgevoerd met toepassing van de
methode Design Assisted by Testing uit NEN-
EN?1990 [3]. De gehanteerde methodiek en
6 DIC-analyse ligger 6
TWEELUIK
Dit artikel is het vervolg op een
eerder in Cement gepubliceerd
artikel 'Hergebruik liggers in
A76'. In dat eerste artikel zijn
het oogstproces van de liggers
en de ontwikkeling van een
testprotocol voor experimentele
bezwijkproeven beschreven. In
dit tweede artikel staan de
resultaten van deze bezwijk-
proeven centraal. Dit artikel
vormt een verdieping en leest
het best in samenhang met het
eerste deel.
6
Tabel 2?Overzicht testresultaten
a /d ligger-ID F
max
[kN] faalmechanisme V
u
[kN]
4,0 22 1103 afschuif-buigbreuk 929
4,5 15 1026 afschuif-buigbreuk 838
5,0 32 993 afschuif-buigbreuk 784
5,0 06 1046 afschuif-buigbreuk 824
5,0 09 1049 afschuif-buigbreuk 827
gemiddelde 1029 812
6,0 851 851 afschuif-buigbreuk 626
20?CEMENT?5 2026
7
De resulterende
rekenwaarden
van de dwars-
krachtcapaci-
teiten zijn
vergeleken met
de optredende
ontwerpbelas-
ting in het
nieuwe viaduct
7 Belasting-verplaatsingsdiagram testresultaten
de onderliggende statistische keuzes zijn
uitvoerig gedocumenteerd in het kader van
het Engineering Doctorate-onderzoek van
Paredes Pineda aan de TU Delft [4].
De methode biedt een gelijkwaardige
ontwerproute wanneer de weerstand van
een constructief element niet betrouwbaar
kan worden bepaald met bestaande reken-
modellen. De rekenwaarde van de weerstand
wordt rechtstreeks afgeleid uit experimen-
tele resultaten, waarbij expliciet rekening
wordt gehouden met de statistische spreiding
van de gemeten capaciteit en de gewenste
betrouwbaarheid, afhankelijk van de gevolg-
klasse.
In dit onderzoek is de dwarskracht-
capaciteit V
u
beschouwd als stochastische
variabele. Doordat voor de maatgevende be-
lastingspositie (a/d???5) meerdere liggers
zijn beproefd, zijn herhaalde waarnemingen
beschikbaar voor dezelfde ontwerpsituatie.
Op basis hiervan konden zowel het gemid-
delde als de spreiding van de dwarskracht-
capaciteit worden bepaald.
Bij de afleiding van de rekenwaarde is
uitgegaan van een lognormale verdeling van
de weerstand, in lijn met internationale aan-
bevelingen voor weerstandseigenschappen
van betonconstructies?[5]. Toepassing van
deze benadering leidt tot:
?
??= exp ?
1
?
? ln??
?,????
?,??
??
?
?,?= ?(??
??)?1 + 1/?
Waarbij V
x
de variatiecoëfficiënt is op basis
van de testresultaten en
?
??= exp ?
1
?
? ln??
?,????
?,??
??
?
?,?= ?(??
??)?1 + 1/?
Conform NEN-EN?1990 moet hierbij een
minimale variatiecoëfficiënt van 10% worden
aangehouden. Voor gevolgklasse CC2 geldt
? = 3,8 en voor CC3 ? = 4,3. De gemiddelde
dwarskrachtcapaciteit in de kritieke door-
snede bedraagt zoals gezegd 812?kN, met een
steekproefstandaardafwijking van 24?kN,
overeenkomend met een variatiecoëfficiënt
van circa 3%. Tabel?3 geeft de afgeleide re-
kenwaarde van de dwarskrachtcapaciteit
V
Rd
voor gevolgklasse CC2 en CC3, uitgaande
van een lognormale verdeling en een con-
servatief aangenomen variatiecoëfficiënt
van 10%.
CEMENT 5 2026 ?21
Aangezien de afschuif-buigbreuk maatge-
vend is en alle liggers een vergelijkbaar
schadeverloop vertoonden resulterend in
afschuif buigbreuk, kon voor de overige be-
lastingsposities (a/d???4,0;?4,5 en?6,0) dezelf -
de V
x
worden toegepast, waarbij k
d,n
moet
worden aangepast aan het gereduceerde
aantal beschikbare proeven.
Voor de belastingsposities (a/d???4,0;?4,5
en?6,0) is telkens slechts één proef uitgevoerd,
hetgeen op zichzelf zou leiden tot een relatief
sterke reductie bij de bepaling van de reken-
waarde.
Gezien de lage variatiecoëfficiënt van
circa 3% die is vastgesteld voor de maatgeven
-
de positie (a/d?=?5), en het hanteren van een
conservatieve ondergrens van 10% conform
NEN-EN?1990, is het echter logisch en vol
-
doende conservatief om voor de overige be-
lastingsposities dezelfde reductiefactor toe te
passen bij de bepaling van de rekenwaarde.
Dit resulteert in een factor van e
-3,51 · 0,10
? 0,70.
Rekenwaarden dwarskrachtcapaciteit?Op
basis hiervan worden de volgende reken-
waarden voor de dwarskrachtcapaciteit
verkregen:
a/d?=?4,0: V
Rd
= 929 · 0,70 = 650 kN
a/d?=?4,5: V
Rd
= 838 · 0,70 = 587 kN
a/d?=?6,0: V
Rd
= 626 · 0,70 = 438 kN
De minimale rekenwaarde van de dwars-
krachtcapaciteit bedraagt daarmee 438?kN.
De resulterende rekenwaarden van de
dwarskrachtcapaciteit zijn vervolgens ver-
geleken met de optredende ontwerpbelas-
ting in het nieuwe viaduct. Voor alle be-
schouwde belastingsposities geldt dat de
rekenwaarde van de dwarskrachtcapaciteit
groter is dan de ontwerpwaarde van de be-
lasting (V
Rd
> V
Ed
). Daarmee is aangetoond
dat de HNP-liggers, ondanks het ontbreken
van effectieve dwarswapening en afwijking
van de huidige Eurocode-detaillering, veilig
kunnen worden hergebruikt binnen het
Met de proeven
is het herge-
bruik van de
liggers in het
circulaire via-
duct technisch
verantwoord
onderbouwd
8
8 Ligger net voor bezwijken
Tabel 3?Rekenwaarde?dwarskrachtcapaciteit voor verschillende belastingsposities
a /d ligger-ID V
u
[kN] ln V
u
CC2 CC3
k
d,n
V
R,d
k
d,n
V
R,d
4,0 22 929 6,83 4,30 605 4,86 572
4,5 15 838 6,73 4,30 546 4,86 516
5,0 32 784
06 824
09 827
gemiddelde 812 6,70 3,51 572 3,97 546
6,0 30 626 6,44 4,30 408 4,86 385
22?CEMENT?5 2026
ontwerp van het circulaire viaduct A76 Dael-
derweg.
Hoewel afschuif-buigbreuk een relatief
bros faalmechanisme is, is dit binnen het
ontwerp acceptabel omdat de rekenwaarden
zijn afgeleid met toepassing van een expli-
ciete betrouwbaarheidsbenadering conform
NEN-EN?1990. Het veiligheidsniveau wordt
daarmee geborgd op systeemniveau, ondanks
het ontbreken van normatieve detaillerings-
eisen voor dwarswapening.
Consequenties voor hergebruik
en ontwerp
De uitgevoerde bezwijkproeven en de daar-
op gebaseerde statistische analyse laten zien
dat de dwarskrachtcapaciteit van de onder-
zochte HNP-liggers aantoonbaar groter is
dan de optredende ontwerpbelasting in het
nieuwe viaduct over de A76, ook voor toe-
passing in gevolgklasse CC3. Hiermee is het
hergebruik van de liggers binnen het ont-
werp van het circulaire viaduct technisch
verantwoord onderbouwd.
De gepresenteerde resultaten zijn
representatief voor de onderzochte HNP-lig-
gers. Toepassing van de resultaten op ande-
re liggergeometrieën, belastingconfiguraties
of detailleringen vereist aanvullend onder-
zoek, waarbij met name het maatgevende
faalmechanisme en de bijbehorende belas-
tingspositie opnieuw moeten worden beoor-
deeld.
De resultaten tonen aan dat het ont-
breken van effectieve dwarswapening en de
afwijking van de huidige Eurocode detaille-
ring niet automatisch hoeven te leiden tot
afkeuring van bestaande liggers voor herge-
bruik. Door de werkelijke capaciteit experi-
menteel vast te stellen en deze te vertalen
naar ontwerpwaarden met een betrouw-
baarheidsbenadering, ontstaat een volwaar-
dig alternatief voor de gangbare normatieve
verificatie. Dit maakt het mogelijk om be-
staande constructieve elementen veilig toe
te passen in nieuwe kunstwerken, zonder
onnodig conservatisme.
Voor het project A76 Daelderweg vormen de
resultaten een essentiële basis voor het ont-
werp van het nieuwe dek, waarin de herge-
bruikte HNP-liggers worden toegepast onder
de rijbaan. Tegelijkertijd reiken de bevindin-
gen verder dan dit specifieke project. De ge-
hanteerde aanpak laat zien dat bezwijkproe-
ven, in combinatie met Design Assisted by
Testing, kunnen fungeren als opstap naar
toekomstige gebruiksproeven, waarbij lig-
gers niet tot bezwijken hoeven te worden
belast om hun geschiktheid aan te tonen.
Daarmee biedt dit onderzoek niet al-
leen een oplossing voor het huidige project,
maar ook een generieke route voor het her-
gebruik van bestaande betonliggers binnen
circulaire infrastructuur. De combinatie van
experimenteel onderzoek, faalmechanisme-
analyse en probabilistisch ontwerp vormt
daarmee een robuuste basis om hergebruik
structureel te verankeren binnen het ont-
werp en toetsingsproces van civiele kunst-
werken.?
REFERENTIES
1?Comité Européen de Normalisation,
Eurocode 2: Design of Concrete
Structures ? Part 1-1 General Rules and
Rules for Buildings, Brussels: Comité
Européen de Normalisation, 2005.
2?Howse, et al., AE Monitored
estructive Load Test Report Asset ID:
A9-Beam 06, Mistras Group, 2025.
3?Comité Européen de Normalisation,
Eurocode 0: Basis of Structural Design,
Brussels: Comité Européen de
Normalisation, 2002.
4?J. E. Paredes Pineda, Towards
structural reuse: load testing and
design of reclaimed prestressed
concrete girders without shear
reinforcement. Engineering Doctorate
report, Delft University of Technology,
2025
5?Joint Committee on Structural
Safety, JCSS Probabilistic Model Code
- Part 3: Resistance Models, JCSS,
2000.
CEMENT 5 2026 ?23
In het kort
- Het hergebruik van de liggers is niet te onderbouwen met de gangbare rekenmodellen
- De liggers zijn beproefd inclusief de oorspronkelijke gewapende betonnen druklaag
- De materiaaleigenschappen van het beton zijn bepaald op basis van boorkernen uit de liggers
- Alle liggers bezweken door afschuif-buigbreuk
- Voor iedere proef is de dwarskracht in de kritieke doorsnede afgeleid
- Om de testresultaten toe te kunnen passen in het ontwerp was een vertaalslag nodig naar rekenwaarden
- De resulterende rekenwaarden van de dwarskrachtcapaciteiten zijn vergeleken met de optredende ontwerpbelasting in het nieuwe viaduct
- Met de proeven is het hergebruik van de liggers in het circulaire viaduct technisch verantwoord onderbouwd
- De gehanteerde aanpak laat zien dat bezwijkproeven, in combinatie met Design Assisted by Testing, kunnen fungeren als opstap naar toekomstige gebruiksproeven
Foto 1 Ligger na bezwijken
Projectgegevens
Project: A76 Daelderweg
Opdrachtgever: Rijkswaterstaat PPO
Hoofdaannemer: Strukton Civiel Nederland
Ontwerper: Antea Group
Onderzoekspartij: Nebest (en TU Delft)
Tweeluik
Dit artikel is het vervolg op een eerder in Cement gepubliceerd artikel ‘Hergebruik liggers in A76’. In dat eerste artikel zijn het oogstproces van de liggers en de ontwikkeling van een testprotocol voor experimentele bezwijkproeven beschreven. In dit tweede artikel staan de resultaten van deze bezwijkproeven centraal. Dit artikel vormt een verdieping en leest het best in samenhang met het eerste deel.
Het gaat in het project om voorgespannen prefab-liggers van het type HNP75/98 (fig. 2). Voor deze liggers ontbreken specifieke ontwerpvoorschriften voor hergebruik. Tegelijkertijd leidt verificatie volgens de huidige Eurocode-regels voor nieuwe constructies tot onvoldoende dwarskrachtcapaciteit, vanwege het ontbreken van effectieve dwarswapening [1]. De normatieve dwarskrachtmodellen uit NEN-EN 1992-1-1 sluiten daarmee onvoldoende aan op het werkelijke gedrag van bestaande prefab-liggers, waardoor hergebruik niet is te onderbouwen met de gangbare rekenmodellen.
Om de liggers toch op een betrouwbare manier te kunnen hergebruiken, is ervoor gekozen de capaciteit te bepalen op basis van testen. In een eerder artikel in Cement is beschreven hoe de liggers zijn geoogst en hoe een testprotocol is ontwikkeld om de werkelijke dwarskrachtcapaciteit experimenteel vast te stellen door middel van full-scale bezwijkproeven. Daarbij lag de nadruk op de praktische uitvoerbaarheid van het oogstproces en de opzet van het experimentele onderzoek. Dit vervolgartikel richt zich op de analyse en interpretatie van de testresultaten.
Figuur 2 Doorsnede HNP-ligger
Proefstukken en uitgangspunten
Voor de bezwijkproeven zijn 6 van in totaal 33 geoogste liggers gebruikt. Voor het afleiden van de statistische eigenschappen zijn minimaal drie proeven in de kritische doorsnede nodig. Er zijn drie extra proeven uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in het gebied waar hetzelfde faalmechanisme werd verwacht en om meer zekerheid te krijgen over de oorspronkelijke aannames.
De oorspronkelijke lengte van de liggers was circa 23,0 m (fig. 3). Ten behoeve van de proeven zijn ze ingekort tot een lengte van ongeveer 20 m, wat overeenkomt met de lengte van de liggers in het ontwerp voor het nieuwe viaduct over de A76. Bij de beproevingen is een overspanning gehanteerd van 17 m (tabel 1, fig. 4).
De liggers zijn uitgevoerd met puntlasten op verschillende posities langs de ligger, uitgedrukt in termen van de verhouding a/d, waarbij a de afstand tussen het belastingspunt en de dichtstbijzijnde oplegging is en d de effectieve hoogte van de doorsnede. De belastingsposities zijn zodanig gekozen dat het maatgevende faalmechanisme voor hergebruik kon worden onderzocht, met nadruk op afschuif-buigbreuk.
Figuur 3 Zijaanzicht HNP-ligger
De liggers zijn beproefd inclusief de oorspronkelijke gewapende betonnen druklaag (gemiddelde dikte circa 210 mm). Het verwijderen van de druklaag zou leiden tot een niet-representatief intern krachtsverloop en is daarom bewust achterwege gelaten.
De materiaaleigenschappen van het beton zijn bepaald op basis van boorkernen uit de liggers. De strekte komt overeen met betonsterkteklasse C80/95 (oorspronkelijke sterkteklasse was K600). De betonsterkteklasse is conform RBK 1.2 aangenomen op C35/45. Deze is niet getest, aangezien hij bij het hergebruik wordt vervangen. De liggers bevatten nauwelijks effectieve dwarswapening: de aanwezige beugels zijn niet verankerd in de onderflens en voldoen niet aan de huidige detailleringseisen uit NEN-EN 1992-1-1.
Figuur 4 Zijaanzicht testframe
Waargenomen gedrag en faalmechanisme
Tijdens de bezwijkproeven vertoonden alle liggers een vergelijkbaar belasting- en schadeverloop. Het gedrag werd gekenmerkt door een duidelijke opeenvolging van schadeprocessen, die consistent kon worden vastgesteld op basis van visuele inspecties, akoestische emissiemetingen (AE) (fig. 5) en Digital Image Correlation (DIC) (fig. 6).
Bij toenemende belasting trad in eerste instantie buigscheurvorming op aan de onderzijde van de ligger. Dit moment ging gepaard met een duidelijke toename van AE-activiteit in de onderflens en een lichte afname van de initiële stijfheid in het belasting-verplaatsingsdiagram. In deze fase zijn geen aanwijzingen gevonden voor schade in het lijf of delaminatie van de druklaag.
Na het ontstaan van buigscheuren ontwikkelden zich bij verdere belasting diagonale scheuren in het lijf van de ligger. Deze scheuren manifesteerden zich als afschuif-buigscheuren en concentreerden zich tussen het belastingspunt en de dichtstbijzijnde oplegging. Zowel de AE-locatieplots als de DIC-analyses bevestigden deze schadeontwikkeling (fig. 5 en foto 6).
Bij het bereiken van de maximale belasting faalden alle liggers door het verder ontwikkelen en samenkomen van diagonale scheuren in het lijf, resulterend in afschuif-buigbreuk (foto 8 en 1). Het bezwijken trad relatief plotseling op en werd niet voorafgegaan door significante plastische vervormingen. Voor geen van de beproevingen zijn aanwijzingen gevonden voor afschuif-trekbreuk, een puur buiggedomineerd faalmechanisme of delaminatie tussen ligger en druklaag.
Figuur 5 Weergave AE-activiteit ligger 6 [2]
Foto 6 DIC-analyse ligger 6
Voor iedere proef is de dwarskracht in de kritieke doorsnede afgeleid
Testresultaten en gemeten dwarskrachtcapaciteit
De resultaten van de bezwijkproeven zijn samengevat in tabel 2. Voor iedere proef is de belasting Fmax vastgesteld op het moment van bezwijken (fig. 7), waarna de bijbehorende dwarskracht Vu in de kritieke doorsnede is afgeleid, rekening houdend met eigengewicht, voorspanning en belastingspositie. Deze resultaten vormen de kern van de experimentele onderbouwing voor het hergebruik van de liggers.
De proeven zijn uitgevoerd bij a/d-verhoudingen variërend van circa 4,0 tot 6,0. Voor alle belastingsposities trad zoals gezegd bezwijken op als gevolg van afschuif-buigbreuk. De gemeten dwarskrachtcapaciteit nam af bij toenemende a/d-verhouding, in lijn met het waargenomen faalmechanisme.
De maatgevende posities zijn vooraf bepaald op basis van een analytische en numerieke beschouwing. Daaruit volgde een maatgevende belastingspositie van a/d ≈ 5,0. Met die positie zijn drie liggers beproefd. De gemeten dwarskrachtcapaciteiten (Vu) bedragen respectievelijk 784 kN, 824 kN en 827 kN, met een gemiddelde waarde van 812 kN. Bij lagere a/d-verhoudingen (a/d ≈ 4,0 en a/d ≈ 4,5) zijn hogere capaciteiten gemeten tot 929 kN, terwijl bij a/d ≈ 6,0 een lagere capaciteit van circa 626 kN is vastgesteld.
De belasting-verplaatsingsdiagrammen (fig. 7) laten zien dat de liggers tot het ontstaan van de eerste scheuren een overwegend lineair-elastisch gedrag vertonen. Het ontstaan van de eerste buigscheuren kon consistent worden vastgesteld bij een aangebrachte belasting tussen circa 580 kN en 700 kN, afhankelijk van de belastingspositie. De uiteindelijke bezwijkbelasting ligt hier substantieel boven.
Figuur 7 Belasting-verplaatsingsdiagram testresultaten
De resulterende rekenwaarden van de dwarskrachtcapaciteiten zijn vergeleken met de optredende ontwerpbelasting in het nieuwe viaduct
Van proeven naar ontwerp: Design Assisted by Testing
De experimenteel bepaalde dwarskrachtcapaciteiten vormen op zichzelf geen ontwerpwaarden. Om de testresultaten toe te kunnen passen in het ontwerp, is een vertaalslag nodig naar rekenwaarden die voldoen aan het vereiste betrouwbaarheidsniveau. Omdat voor dit type hergebruikte ligger geen geschikte normatieve verificatiemodellen beschikbaar zijn, is deze vertaalslag uitgevoerd met toepassing van de methode Design Assisted by Testing uit NEN-EN 1990 [3]. De gehanteerde methodiek en de onderliggende statistische keuzes zijn uitvoerig gedocumenteerd in het kader van het Engineering Doctorate-onderzoek van Paredes Pineda aan de TU Delft [4].
De methode biedt een gelijkwaardige ontwerproute wanneer de weerstand van een constructief element niet betrouwbaar kan worden bepaald met bestaande rekenmodellen. De rekenwaarde van de weerstand wordt rechtstreeks afgeleid uit experimentele resultaten, waarbij expliciet rekening wordt gehouden met de statistische spreiding van de gemeten capaciteit en de gewenste betrouwbaarheid, afhankelijk van de gevolgklasse.
In dit onderzoek is de dwarskrachtcapaciteit Vu beschouwd als stochastische variabele. Doordat voor de maatgevende belastingspositie (a/d ≈ 5) meerdere liggers zijn beproefd, zijn herhaalde waarnemingen beschikbaar voor dezelfde ontwerpsituatie. Op basis hiervan konden zowel het gemiddelde als de spreiding van de dwarskrachtcapaciteit worden bepaald.
Bij de afleiding van de rekenwaarde is uitgegaan van een lognormale verdeling van de weerstand, in lijn met internationale aanbevelingen voor weerstandseigenschappen van betonconstructies [5]. Toepassing van deze benadering leidt tot:
Waarbij Vx de variatiecoëfficiënt is op basis van de testresultaten en .
Conform NEN-EN 1990 moet hierbij een minimale variatiecoëfficiënt van 10% worden aangehouden. Voor gevolgklasse CC2 geldt β = 3,8 en voor CC3 β = 4,3. De gemiddelde dwarskrachtcapaciteit in de kritieke doorsnede bedraagt zoals gezegd 812 kN, met een steekproefstandaardafwijking van 24 kN, overeenkomend met een variatiecoëfficiënt van circa 3%. Tabel 3 geeft de afgeleide rekenwaarde van de dwarskrachtcapaciteit VRd voor gevolgklasse CC2 en CC3, uitgaande van een lognormale verdeling en een conservatief aangenomen variatiecoëfficiënt van 10%.
Aangezien de afschuif-buigbreuk maatgevend is en alle liggers een vergelijkbaar schadeverloop vertoonden resulterend in afschuif-buigbreuk, kon voor de overige belastingsposities (a/d ≈ 4,0; 4,5 en 6,0) dezelfde Vx worden toegepast, waarbij kd,n moet worden aangepast aan het gereduceerde aantal beschikbare proeven.
Voor de belastingposities (a/d ≈ 4,0; 4,5 en 6,0) is telkens slechts één proef uitgevoerd, hetgeen op zichzelf zou leiden tot een relatief sterke reductie bij de bepaling van de rekenwaarde.
Gezien de lage variatiecoëfficiënt van circa 3% die is vastgesteld voor de maatgevende positie (a/d = 5), en het hanteren van een conservatieve ondergrens van 10% conform NEN-EN 1990, is het echter logisch en voldoende conservatief om voor de overige belastingposities dezelfde reductiefactor toe te passen bij de bepaling van de rekenwaarde. Dit resulteert in een factor van e-3,51 · 0,10 ≈ 0,70.
Rekenwaarden dwarskrachtcapaciteit
Op basis hiervan worden de volgende rekenwaarden voor de dwarskrachtcapaciteit verkregen:
- a/d = 4,0: VRd = 929 · 0,70 = 650 kN
- a/d = 4,5: VRd = 838 · 0,70 = 587 kN
- a/d = 6,0: VRd = 626 · 0,70 = 438 kN
De minimale rekenwaarde van de dwarskrachtcapaciteit bedraagt daarmee 438 kN.
De resulterende rekenwaarden van de dwarskrachtcapaciteit zijn vervolgens vergeleken met de optredende ontwerpbelasting in het nieuwe viaduct. Voor alle beschouwde belastingsposities geldt dat de rekenwaarde van de dwarskrachtcapaciteit groter is dan de ontwerpwaarde van de belasting (VRd > VEd). Daarmee is aangetoond dat de HNP-liggers, ondanks het ontbreken van effectieve dwarswapening en afwijking van de huidige Eurocode-detaillering, veilig kunnen worden hergebruikt binnen het ontwerp van het circulaire viaduct A76 Daelderweg.
Hoewel afschuif-buigbreuk een relatief bros faalmechanisme is, is dit binnen het ontwerp acceptabel omdat de rekenwaarden zijn afgeleid met toepassing van een expliciete betrouwbaarheidsbenadering conform NEN-EN 1990. Het veiligheidsniveau wordt daarmee geborgd op systeemniveau, ondanks het ontbreken van normatieve detailleringseisen voor dwarswapening.
Met de proeven is het hergebruik van de liggers in het circulaire viaduct technisch verantwoord onderbouwd
Consequenties voor hergebruik en ontwerp
De uitgevoerde bezwijkproeven en de daarop gebaseerde statistische analyse laten zien dat de dwarskrachtcapaciteit van de onderzochte HNP-liggers aantoonbaar groter is dan de optredende ontwerpbelasting in het nieuwe viaduct over de A76, ook voor toepassing in gevolgklasse CC3. Hiermee is het hergebruik van de liggers binnen het ontwerp van het circulaire viaduct technisch verantwoord onderbouwd.
De gepresenteerde resultaten zijn representatief voor de onderzochte HNP-liggers. Toepassing van de resultaten op andere liggergeometrieën, belastingconfiguraties of detailleringen vereist aanvullend onderzoek, waarbij met name het maatgevende faalmechanisme en de bijbehorende belastingspositie opnieuw moeten worden beoordeeld.
De resultaten tonen aan dat het ontbreken van effectieve dwarswapening en de afwijking van de huidige Eurocode-detaillering niet automatisch hoeven te leiden tot afkeuring van bestaande liggers voor hergebruik. Door de werkelijke capaciteit experimenteel vast te stellen en deze te vertalen naar ontwerpwaarden met een betrouwbaarheidsbenadering, ontstaat een volwaardig alternatief voor de gangbare normatieve verificatie. Dit maakt het mogelijk om bestaande constructieve elementen veilig toe te passen in nieuwe kunstwerken, zonder onnodig conservatisme.
Voor het project A76 Daelderweg vormen de resultaten een essentiële basis voor het ontwerp van het nieuwe dek, waarin de hergebruikte HNP-liggers worden toegepast onder de rijbaan. Tegelijkertijd reiken de bevindingen verder dan dit specifieke project. De gehanteerde aanpak laat zien dat bezwijkproeven, in combinatie met Design Assisted by Testing, kunnen fungeren als opstap naar toekomstige gebruiksproeven, waarbij liggers niet tot bezwijken hoeven te worden belast om hun geschiktheid aan te tonen.
Daarmee biedt dit onderzoek niet alleen een oplossing voor het huidige project, maar ook een generieke route voor het hergebruik van bestaande betonliggers binnen circulaire infrastructuur. De combinatie van experimenteel onderzoek, faalmechanisme-analyse en probabilistisch ontwerp vormt daarmee een robuuste basis om hergebruik structureel te verankeren binnen het ontwerp- en toetsingsproces van civiele kunstwerken.
Foto 8 Ligger net voor bezwijken
Referenties
- Comité Européen de Normalisation, Eurocode 2: Design of Concrete Structures – Part 1-1 General Rules and Rules for Buildings, Brussels: Comité Européen de Normalisation, 2005.
- Howse, et al., AE Monitored estructive Load Test Report Asset ID: A9-Beam 06, Mistras Group, 2025.
- Comité Européen de Normalisation, Eurocode 0: Basis of Structural Design, Brussels: Comité Européen de Normalisation, 2002.
- J. E. Paredes Pineda, Towards structural reuse: load testing and design of reclaimed prestressed concrete girders without shear reinforcement. Engineering Doctorate report, Delft University of Technology, 2025
- Joint Committee on Structural Safety, JCSS Probabilistic Model Code - Part 3: Resistance Models, JCSS, 2000.
Reacties