Om bros bezwijken van betondoorsneden te voorkomen, wordt een minimale hoeveelheid wapening voorgeschreven. Deze minimale wapening is de wapening die nodig is om de scheurbelasting op te kunnen nemen, ofwel de combinatie van buigend moment en normaalkracht die in de meest getrokken vezel leidt tot een maximale trekspanning gelijk aan de treksterkte van beton. Hoe deze minimaal benodigde wapening moet worden bepaald, wordt met een rekenvoorbeeld toegelicht.
In deze case wordt op basis van de Eurocode 2 de minimum wapening bepaald van een balk van (b × h) 350 × 500 mm2.
Breedte balk
350 mm
Hoogte balk
500 mm
Betonsterkteklasse
C40/50
Betondekking (tot hart trekwapening)
50 mm
Dit is de dertigste aflevering in de Cement-rubriek ‘Rekenen in de praktijk’. In deze rubriek staat telkens één rekenopgave uit de praktijk centraal. De rubriek wordt samengesteld door een werkgroep, bestaande uit: Harm Boel (ABT), Willem van Heeswijk (Heijmans), Dennis Heijl (Heijmans), Friso Janssen (Goldbeck Nederland), Matthijs de Hertog (Nobleo), Jorrit van Ingen (WSP), Jacques Linssen (redactie Cement) en Rick van Middelkoop (Witteveen+Bos).
De artikelen in deze rubriek worden telkens opgesteld door één van de leden van deze werkgroep. Het wordt vervolgens gereviewd door de andere leden en door minimaal één senior adviseur binnen het bedrijf van de opsteller. Ondanks deze zorgvuldigheid, is de gepresenteerde rekenmethode de visie van een aantal individuen.
Voor betonnen balken is de minimale hoeveelheid wapening opgegeven in NEN-EN 1992-1-1, artikel 9.2.1.1. Dit artikel bevat een rekenvoorbeeld hoe de minimaal benodigde wapening in een betonnen balk berekend kan worden. Dit rekenvoorbeeld kan gebruikt worden voor het bepalen van minimale wapening in normale (dunwandige) constructies waarbij geen rekening wordt gehouden met hydratatiespanningen en verhinderde vervormingen.
In dit rekenvoorbeeld wordt uitgegaan van een prefab-betonnen balk met onderstaande eigenschappen:
Opgemerkt wordt dat bij constructies waar de Richtlijnen Ontwerp Kunstwerken (ROK) van Rijkswaterstaat zijn voorgeschreven, bij het bepalen van de minimale wapening een betonsterkteklasse moet worden aangehouden die twee klassen hoger ligt dan de (ontwerp)sterkteklasse (ROK-0082). Rijkswaterstaat kiest hiervoor omdat vanuit duurzaamheidseisen vaak al een minimale cementhoeveelheid wordt geëist die resulteert in een hogere sterkteklasse dan die wordt aangehouden in de berekeningen. Hierdoor kunnen constructies ontstaan die niet meer waarschuwen voor brosse breuk na het optreden van scheurvorming, als de minimale hoeveelheid wapening net voldeed voor de aangehouden sterkteklasse in het ontwerp.
Voor deze balk wordt de minimaal benodigde wapening berekend, uitgaande van drie verschillende scenario’s (uitgaande van belastingen in de uiterste grenstoestand):
Reacties
Felix Leenders - Van Hattum en Blankevoort 06 oktober 2026 19:00
Interessant en leuk artikel. Wel zou ik nog wat willen toevoegen: weet welk beton er wordt toegepast. De 'twee sterkte klassen hoger' waar de ROK over spreekt gaat uit van een vaste relatie tussen druk en trek. Hierin wordt het type toeslagmateriaal niet meegenomen, en het type toeslagmateriaal in Nederland is niet meer standaard grind. Gebroken toeslagmateriaal heeft namelijk meer hechtend oppervlak met cement en een betere haakweerstand. Dit resulteert in een andere verhouding tussen druk- en treksterkte. Met andere woorden: de treksterkte gaat omhoog. In een praktijk case met gebroken toeslagmateriaal zie ik dat de druksterkte een C30/37 is terwijl de treksterkte correspondeert met een C70/85. Vandaar ook eis ROK-0081: toeslagmaterialen anders dan grind en zand mogen slechts worden toegepast indien alle relevante gedragseigenschappen bekend zijn. Denk aan krimp, kruip, E-modulus, waterabsorptie, breukenergie, vermoeiingsgedrag, etc. En de treksterkte neemt na 28 dagen ook nog toe.
Rob Vergoossen - Haskoning Nederland B.V. 29 september 2026 12:06
Uitgangspunt van sterkteklasse C40/50 is voor een balk met nauwelijks belasting waarschijnlijk niet echt duurzaam (sustainable). Zoals blijkt is de minimum wapening afhankelijk van het scheurmoment en dus de (gemiddelde) buigtreksterkte van het beton. Zou de betonsterkteklasse van C25/30 gekozen zijn dan neemt deze gemiddelde treksterkte af tot 2.56 MPa (ipv. 3.51 MPa) dat is slechts 73% van de waarde, waardoor Asmin1 dus ook 73% van de berekende waarden wordt. In alle gepresenteerde gevallen is die dan maatgevend boven Asmin2 (is een enkel geval is Ned-Med dan zelfs maatgevend boven de minimum wapening). Effectief kan er dan ook (in alle gevallen) met 3 staven o10 (ipv 4) uitgekomen worden. Let wel op dat indien strenge eisen aan scheurwijdte gelden ivm aggressieve milieus (zoals dooizouten) dat de eisen aan de waterbindmiddelfactor dan zodanig wordt dat een C25/30 niet haalbaar is. De sterkte zal dan eerder in de buurt van C35/45 of C40/50 komen en ondanks dat wellicht een C25/30 besteld wordt zou ook voor de minimumwapening op deze hogere sterkte gerekend moeten worden. Zie o.a. de Stufib Rapporten 20 en 28.