De detaillering van tand-nokconstructies staat flink in de belangstelling, onder meer naar aanleiding van de grootschalige beoordeling van bruggen en viaducten door Rijkswaterstaat. Die belangstelling is niet nieuw. Al in 2006 publiceerde prof. Cees Kleinman een artikel waarin hij waarschuwde voor onjuist gedetailleerde ophangwapening aan de koppen van balken. De redactie van Cement licht de problematiek kort toe.
Foto 1 Typische tand-nokconstructie in een viaduct in de ring rond Groningen (N370) (foto: Jacques Linssen)
Een tand-nokconstructie is een verbinding tussen twee delen van een viaduct of brug. Het bovenste deel van de verbinding is de tand, het onderste deel de nok. De kern van het probleem bij het detailleren van deze tand-nokconstructies is dat vaak onvoldoende wordt onderkend hoe de belasting werkelijk wordt afgedragen. Zowel bij de tanden als de nokken treedt vaak geen directe, maar indirecte lastafdracht op. Daardoor speelt ophangwapening een grote rol.
De krachtswerking en wat er vaak misgaat, wordt het beste inzichtelijk met de beschouwing volgens een staafwerkmodel van een tandoplegging. De ophangwapening moet, aan de kop van de balk vóór het begin van de tand, de dwarskracht opnemen en naar de bovenzijde van de balk brengen (fig. 2 en 3). Van daaruit moet de kracht via een schuine drukdiagonaal naar de oplegging worden geleid.
In veel berekeningen wordt ervan uitgegaan dat de ophangwapening volledig effectief is. Dat is echter alleen het geval als de wapening zó is gedetailleerd dat die krachtsafdracht daadwerkelijk kan ontstaan.
Reacties