Log in
inloggen bij Cement
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Alle kennis / Blogs

Het duimpje op de parkeerplaats

Column Rico Zweers -20 augustus 2026

Deze zomer rij ik met mijn gezin van Denemarken via Zweden naar Noorwegen. We bezoeken de steden Aarhus en Oslo en worden verliefd op het Noorse landschap. Vanuit het cruiseterminal-dorpje Flåm rijden we zuidwaarts, over de bergen richting Odda, en blijven een nacht in Røldal. Het regent die dagen veel en tussen de buien door gaan we erop uit. 's Ochtends lopen we het dorp uit, en komen aan bij een brug over de rivier. Er staat een vreemd betonnen gebouw. Ruw beton, de bekisting zichtbaar, veel glas, een vrije vorm die uitkraagt over het water, en een wenteltrap die aan de buitenkant naar boven draait en dan weer naar binnen verdwijnt. Brutalisme in Noorwegen!

Een bordje langs de weg wijst naar de waterkrachtcentrale erachter, het soort civiele werk dat in Nederland een blinde gevel en een hek krijgt en verder niemand interesseert. Het gebouwtje blijkt ontworpen door architect Geir Grung, die in de jaren zestig voor Norsk Hydro het architectonische programma van de Røldal-Suldal-centrales ontwierp. Het meest indrukwekkende deel, de machinehal, ligt uitgehouwen in de berg. Wat je vanaf de weg ziet is alleen de bovenkant van het project.

Het voelt alsof zo'n gebouw niet tegen je liegt

Ik kende de architect niet. Brutalisme ken ik wel goed: Van den Broek en Bakema, die de Aula en de faculteiten Bouwkunde en Civiele Techniek op de campus TU Delft ontwierpen. En natuurlijk 'good old' Le Corbusier. Is mijn fascinatie dus gewoon een nostalgische blik naar mijn studietijd? Of is er meer aan de hand?

Als we Røldal verlaten, vinden we in een online artikel nóg een gebouw van Grung in dezelfde reeks. We besluiten om om te rijden en te kijken wat het is. Het blijkt een hotel, onderdeel van een groter complex. Als we aankomen is er nauwelijks iemand te zien. We lopen door de entree naar binnen en treffen een verbaasd kijkende eigenaar. Hij vertelt dat ze sinds kort een nieuw designhotel zijn, dit is hun eerste jaar. We mogen rondkijken en krijgen een kop koffie. Het gebouw zelf is ouder: het voormalige arbeidersverblijf van een andere centrale, in 2007 al eens verbouwd, dus als designhotel neergezet. Een arbeiderscomplex verworden tot verblijf met uitzicht op de bergen. Grung reisde, zo lezen we later, met Jørn Utzon, de architect van het operahuis in Sydney, door China. De houten balken en binnentuinen die daaruit voortkwamen zijn hier terug te zien.

Een gebouw dat zijn constructie verstopt, kan altijd net iets meer beloven dan het waarmaakt

Waarom grijpen dit soort ruwe, betonnen gebouwen me zo aan? Het antwoord zit, denk ik, dichter bij een gevoel dan bij een vakterm. Het voelt alsof zo'n gebouw niet tegen je liegt.

De Britse criticus Reyner Banham probeerde dat gevoel in 1955 voor het eerst grijpbaar te maken, in een essay in het blad Architectural Review. Zijn voorbeeld was een schoolgebouw in Engeland (Hunstanton School van Alison en Peter Smithson). Zijn beschrijving ervan is verrassend eenvoudig, bijna kinderlijk: het gebouw lijkt gemaakt van glas, baksteen, staal en beton, en is dat ook daadwerkelijk. Geen laagje ertussen. Geen belofte die niet wordt waargemaakt. Wat je ziet, is wat er is.

Uit die gedachte destilleerde Banham drie eigenschappen van wat hij het nieuwe brutalisme noemde: een gebouw moet je bijblijven als beeld, de constructie moet helder zichtbaar zijn, en het materiaal moet gewaardeerd worden zoals het is aangetroffen, zonder te verbloemen. Een gebouw dat zijn constructie verstopt, kan altijd net iets meer beloven dan het waarmaakt. Een gebouw dat zijn constructie laat zien, kan dat niet. Daar zit volgens mij het echte antwoord op mijn vraag.

Een ingenieur leest een blootliggende constructie zoals een arts een röntgenfoto leest: waar de last van het dak naar de kolom gaat, waar de uitkraging ophoudt met zweven en begint met dragen, waar de bekisting een naad achterliet omdat daar, op die precieze plek, een stortpauze nodig was. Die naad is de handtekening van de aannemer aan jou, decennia later.

Brutalisme is niet lief voor zichzelf

Wie dat kan lezen, ziet een verhaal. Wie dat niet kan, ziet alleen grijs, kil beton, en denkt aan een parkeergarage of, erger, aan verval. En dat associatieprobleem is reëel, niet ingebeeld: vijftig jaar verwaarloosde galerijflats hebben het zichtbare beton geen goed gedaan.

Als ingenieurs kijken we door die vlek heen naar de beslissing erachter, en waarderen het net zo goed omdat het geen tweede kans kent. Zichtbaar beton dwingt je om het in één keer goed te bedenken: geen voorzetwand, geen stucwerk, geen gevelbekleding om een fout achteraf te verbergen. De keuze moet kloppen voordat het beton is uitgehard.

Brutalisme is niet lief voor zichzelf. Het vlekt, het krijgt uitbloei, het wordt in heel Europa gesloopt en de gemiddelde voorbijganger vindt het gewoon lelijk. Die twee dingen zijn allebei waar: het is een eerlijk gebouw, en het is voor de meeste mensen geen aantrekkelijk gebouw. Waardering hiervoor is geen kwestie van smaak, het is een kwestie van hoeveel moeite je hebt genomen om te begrijpen wat je ziet.

Op de parkeerplaats bij Røldal gaf een medewerker achter een raam me een duimpje omhoog omdat hij me een foto zag maken. Een erkenning voor dit brute gebouw.

Rico Zweers is conceptontwikkelaar bij De Mannen van Schuim. Dit is de eerste van drie columns naar aanleiding van zijn bezoek aan Noorwegen.
 

Reacties

Cement ©2026. All rights reserved.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren