Krimp speelt een grote rol op het constructieve gedrag van betonconstructies. Is die krimp hoger dan waarvan in het ontwerp is uitgegaan, bijvoorbeeld doordat een ander betonmengsel is toegepast, dan kan dat grote risico's met zich meebrengen. Een praktijkvoorbeeld met een oplegnok laat dat overduidelijk zien. Om de risico's te beperken is goed overleg nodig tussen betontechnoloog en constructeur.
Dit artikel is tot stand gekomen met hulp van Bianca Baetens en Jeanette van den Bos.
In de bouw worden helaas nog wel eens fouten gemaakt. Nu is fouten maken menselijk, de kunst is ervan te leren. In deze rubriek delen de lezers van Cement fouten of onvolkomenheden die zij in de praktijk tegenkomen. Hiermee dragen we bij aan het lerend vermogen van de bouw en kunnen we herhaling voorkomen. Heb je zelf ook een voorbeeld dat je wil delen, geef dat door aan Jacques Linssen (j.linssen@aeneas.nl).
Om inzicht te krijgen in de invloed van krimp op de oplegging van een dek op een nok, wordt een praktijkvoorbeeld beschouwd. We beperken ons tot de invloed van krimp op de oplegging. Er wordt geen aandacht besteed aan de berekening van de oplegnok, de belasting, de keuze voor het oplegmateriaal en de voegbeweging. Ook wordt niet ingegaan op hoe de temperatuursbelasting in rekening wordt gebracht. De focus ligt op krimp.
In het praktijkvoorbeeld gaat het om een dek aan de bovenzijde van een parkeergarage. Het dek wordt ondersteund door kolommen. Aan de beide uiteinden zijn twee stabiliteitskernen aanwezig. Het dek heeft een ongedilateerde lengte van 75 m. Aan een zijde is de vloer vast gestort aan de stabiliteitskern, aan de andere zijde is hij gedilateerd opgelegd op een nok aan de kern. In figuur 2 staat een schematische weergave van de situatie. De constructeur kiest voor zowel de nok als het dek voor betonsterkteklasse C30/37 en milieuklassen XD3 en XF3.
Reacties