Aan de skyline van Rotterdam is de woontoren Downtown toegevoegd, die niet zozeer bijzonder is vanwege zijn hoogte, maar vooral vanwege het overstek van 10 m. In nauwe samenwerking met de architect en de aannemer zijn het ontwerp en de uitvoering al in een vroeg stadium geoptimaliseerd.
Uitkragende
uitdaging
Downtown is een voorbeeld van hoe constructief ontwerp kan
bijdragen aan ambitieuze architectuur
1 Bijzonder aan Downtown is vooral het 10 m grote overstek (foto: Valentijn Kortekaas i.o.v. OZ)
1
6?CEMENT?5 2026
Downtown ligt ingeklemd tussen
de twee kolossen Cooltoren en
The Baantower, in het hart van
het Rotterdamse Baankwartier
(foto 2).
Het is een woongebouw met een
75 m hoge toren van 24 verdiepingen en een
langgerekte, zevenlaagse plint (onderbouw)
(fig. 3). Deze plint sluit aan bij de gemiddelde
gebouwhoogte in de stad, ook wel de Rotter-
damse laag genoemd, een onderdeel uit de
hoogbouwvisie van de gemeente Rotterdam.
Er zijn zowel koop- als huurapparte-
menten voorzien. Op de begane grond en de
eerste verdieping zijn woon-werkunits gesi-
tueerd en op de tweede verdieping bevindt
zich een inpandige stallinggarage, bereik-
baar via een autolift. Het dak van het plint-
gebouw is ingericht als gemeenschappelijke
daktuin.
Draagstructuur
De draaglijnen van de toren lopen door in
de onderbouw, wat leidt tot een voor de con-
structie logische draagstructuur (fig. 4). Voor
zowel de woontoren als de plint bestaat de
constructie uit 250 mm dikke breedplaat-
vloeren die van betonwand naar betonwand
maximaal 6,60 m overspannen (fig. 5 en 6).
Deze wanden zijn in de basis 250 mm dik.
Onder de dragende eindgevels van de woon-
toren (assen C en G) zijn ze 300 mm dik en
bij de stabiliteitswanden 350 mm.
De stabiliteit wordt in dwarsrichting
verzorgd door de betonwanden (fig. 5 en 6).
Voor de stabiliteit in langsrichting is in de
onderbouw een kern aanwezig, die in de
woontoren gekoppeld is met twee outrigger-
wanden.
Vanwege de beperkte bouwplaats is de
bouwkraan in de kern geplaatst. Deze kraan
stond niet op de fundering, maar steunde af
op de verdieping die zich 5 tot 10 lagen onder
het werkniveau bevond en is tijdens de bouw
meegeklommen. Hierdoor kon de afmeting
van de kraanmast beperkt blijven, zodat hij
in de liftschacht paste.
Rondom de woontoren zijn slanke bal-
kons voorzien, met een wisselende diepte.
De diepte bedraagt minimaal 1,1 m, zodat de
ramen kunnen worden bewassen. Bij de
buitenruimte neemt de diepte toe tot 2,6 m.
Doordat dit diepere gedeelte per verdieping
wisselt, ontstaat een speels effect in het aan-
zicht van de toren. De balkons kragen met
een koudebrugonderbreking uit vanuit de
verdiepingsvloeren. Overstek
Kenmerkend voor Downtown is het enorme
overstek: de wanden kragen in drie stappen
7,5 m uit. Samen met het uitkragende bal-
kon, steekt het geheel 10 m voorbij de gevel
van de begane grond (foto 1). Onder het
overstek zijn in de wanden in de richting
van het overstek verdikkingen aangebracht,
vanwege de hoge belastingconcentratie. Om
grote horizontale krachten op de stabiliteits-
wanden te voorkomen, is evenwicht in de
wand gezocht. Cruciaal in dit krachtenspel
is het diagonaal naar binnen leiden van de
belasting uit de uitkragende bovenbouw
naar het funderingsoppervlak dat op
IR. PAUL
KORTHAGEN RO
Raadgevend Ingenieur
IMd Raadgevende
Ingenieurs
IR. DENNIS RIETDIJK
RO
Raadgevend Ingenieur
IMd Raadgevende
Ingenieurs
IR. MATTHIJ MOONS
RC
Projectconstructeur
IMd Raadgevende
Ingenieurs
auteurs
Aan de skyline van Rotterdam is de woontoren Downtown toegevoegd, die niet zozeer
bijzonder is vanwege zijn hoogte, maar vooral vanwege het overstek van 10 m. In nauwe
samenwerking met de architect en de aannemer zijn het ontwerp en de uitvoering al in
een vroeg stadium geoptimaliseerd.
CEMENT 5 2026 ?7
toren
uitkragend deel
naast toren
2 Downtown ligt tussen de twee kolossen Cooltoren en The Baantower (foto: Valentijn Kortekaas i.o.v. OZ)
3 3D-constructiemodel Downtown
2
PROJECTGEGEVENS
project
Downtown
opdrachtgever
SENS real estate /
LIFE NL
architect
OZ
constructieadviseur
IMd Raadgevende
Ingenieurs
aannemer
Stebru
geotechnisch adviseur
ABO-Geomet
oplevering
december 2025
3
8?CEMENT?5 2026
X
Y
stabiliteit in X-richting
stabiliteit in Y-richting
outrigger wanden
X
Y
stabiliteit in X-richting
stabiliteit in Y-richting
outrigger wanden
4 Doorsneden (van links naar rechts over de assen D t/m G)
5 Plattegrond van de 13e verdieping, met in blauw de stabiliteitswanden (outriggerwanden) in x-richting en in rood de stabiliteitswanden in y-richting
6 Plattegrond van de 5e verdieping met in blauw de kern voor stabiliteit in x-richting en in rood de stabiliteitswanden in y-richting
Cruciaal in het
krachtenspel
van het overstek
is het diagonaal
naar binnen
leiden van de
belasting naar
het funderings-
oppervlak
4
5
6
CEMENT 5 2026 ?9
maaiveld beschikbaar is (fig. 7). In een vroeg
stadium van het ontwerp zijn hiervoor op-
lossingen in beton en staal onderzocht. Uit-
voering in beton bleek eenvoudiger met het
oog op ruimtebeslag, brandwerendheid,
bouwfysica en uitvoering.
Afstemming architectonisch ontwerp?Het
overstek vroeg in de ontwerpfase om een
nauwe afstemming met de architect. Er is
onderzocht of het mogelijk was de wandspa-
ringen in de toren te laten verspringen, zodat
de wand van het overstek een stijve schijf
zou vormen en de krachten vanuit het over-
stek over alle verdiepingen zouden worden
verdeeld. Dit bleek lastig vanwege de woning-
indelingen en de toch al complexe positione-
ring van de verticale schachten.Om de krachtsinleiding toch mogelijk
te maken, zijn op de 7e en 8e verdieping twee-
laagse maisonnettes ontworpen, waarbij de
twee woonlagen inpandig met een trap zijn
7
De uitkraging
is gerealiseerd
met 80 cm hoge
prefab balken
7 Krachtenspel bij overstek (as F). Op 7e en 8e verdieping zijn tweelaagse maisonnettes ontworpen, waardoor sparing
in wand op 8e verdieping niet nodig was en drukdiagonaal kan ontstaan. De drie uitkragingen van 2,5 m zijn
gerealiseerd met uitkragende prefab balken. De sparing boven de prefab balk is tijdens de uitvoering dichtgestort
10?CEMENT?5 2026
8 Spanningen wand as F (doorsnede zie fig. 7)
9 Uitkragende prefab balk tijdens uitvoering
10 Gezaagde deursparing
gekoppeld. Hierdoor ontstaan bijzondere
woningen aan het dakniveau van de plint.
Het gevolg hiervan is dat op de 8e verdieping
de gangzone die toegang biedt tot de wonin
-
gen, kan vervallen. Daardoor kan in de wand
de benodigde drukdiagonaal ontstaan die het
overstek in evenwicht houdt (fig. 7).
Afstemming uitvoering?Naast de afstem-
ming met de architect was vroegtijdig over-
leg met de aannemer nodig. Omdat onder
het overstek de ontsluitingsroute voor het
bouwverkeer was gepland, moest het over
-
stek zonder steigers worden gebouwd. Voor
elk van de drie stappen van 2,5 m is de uit
-
kraging gerealiseerd met 80 cm hoge, uitkra-
gende prefab balken, die onderdeel zijn van
de betonwand (fig. 7 en foto 9). Tussen de
balken bevindt zich een massieve prefab be
-
tonplaat. Doordat deze delen in prefab beton
zijn uitgevoerd, was een tijdelijke ondersteu
-
ning niet nodig. Boven op de prefab beton-
balk is de wand verder in het werk gestort.
De prefab plaat is ontworpen om de
stortlast van de breedplaatvloer erboven te
kunnen dragen. Nadat op die manier de eer-
ste stap van het overstek van 2,5 m was ge-
realiseerd, konden op dezelfde manier de
tweede en derde stap worden gemaakt.
In de bouwfase zijn de openingen in de uit-
kragende wanden dichtgelaten, zodat de vol-
ledige wand tijdens de bouw als uitkragende
console werkte. Dit bleek constructief nood-
zakelijk. Nadat de wand tot en met de 12e
verdieping gereed was en de drukdiagonaal
in de wand volledig was gevormd, konden
de sparingen uit de wand worden gezaagd
(foto 10).
8
9
10
CEMENT 5 2026 ?11
principe uitkragende vierendeelligger
Bij de uitkragende gevels naast de toren is
sprake van een open structuur (fig. 3), waar-
door gesloten wanddelen niet mogelijk wa-
ren. Bij deze gevels is de belasting veel lager
(hier bevindt zich geen toren boven), waar-
door hier een hybride vierendeelligger kon
worden gemaakt (fig. 11). Hierbij werken
stalen liggers in de lateien samen met de
betonnen penanten. Op die manier kon ook
de kopgevel steigerloos worden gerealiseerd.
Een extra complicatie hierbij was dat de sta-
ven van de isokorven van de balkons aan de
kopgevel door het staalprofiel moesten wor-
den gestoken, om ze in de vloer te kunnen
verankeren (foto 12). Hamerstuk
De uitkraging op de assen D en F van de
toren draagt in de plintlagen af op betonko-
lommen (650 × 650 mm2) (fig. 7). Deze ko-
lommen worden zeer zwaar belast. Om de
krachten vanuit de wand over te brengen op
de kolom, is in de wand op de 7e verdieping
een staalprofiel HEM 240 in de wand inge-
stort.
Voor de aansluiting aan de bovenzijde
is een hamerstuk met aangelaste drukwape-
ning uitgewerkt (fig. 13a). Dit zorgt ervoor
dat de oplegspanning in het beton niet
wordt overschreden. Aan de onderzijde is
met schotten een stijve voetplaat gecreëerd, Om de krachten
vanuit de wand
over te brengen
op de kolom, is
een staalprofiel
in de wand
ingestort
11
12
13a 13b
11 Uitkragende vierendeelligger ter plaatse van de uitkraging naast de toren
12 De staven van de isokorven van de balkons aan de kopgevel moesten door het staalprofiel worden gestoken
13 Hamerstuk aan de bovenzijde van de kolom (a), de voetplaat aan de onderzijde t.p.v. overgang naar de kolom (b)
12?CEMENT?5 2026
die de krachten gelijkmatig verdeelt over de
onderliggende kolom (fig. 13b). De voetplaat
wordt naast de wand vastgebout aan in de
kolom ingestorte DEMU-ankers.
Tweede draagweg
Het hoogste verblijfsgebied van de toren be-
vindt zich net onder 70 m. Volgens de huidi-
ge norm zou het gebouw daarmee in gevolg-
klasse CC2 vallen, maar de aanvraag voor de
omgevingsvergunning was gedaan net vóór
de wijziging in NEN-EN 1990 in december
2020. Daarom moest de constructie in ge-
volgklasse CC3 worden uitgewerkt. Om die
reden is veel aandacht besteed aan de twee-
de draagweg.
Er zijn diverse analyses uitgevoerd
waarbij zwaarbelaste elementen zijn weg
genomen. Ook de gevolgen van het wegval-
len van de zwaarbelaste kolommen en
verdikte wanden onder het overstek is ge-
analyseerd. Doordat in deze situatie geen
extreme windbelasting wordt gerekend, de
materiaal factoren zijn verlaagd én vanwege
de robuustheid van de constructie door
twee drukdiagonalen ter plaatse van het
overstek (fig. 7), bleek het mogelijk om in die
situaties met beperkte extra wapening de
belasting uit het overstek op te nemen.
Fundering
Heien was op deze locatie in de stad niet
mogelijk. Daarom is de woontoren gefun-
deerd op 147 grondverdringend geschroefde
palen met groutinjectie en een verloren
schroefpunt. Door slim om te gaan met de
funderingspalen, kon het gebouw op de eer-
ste zandlaag worden gefundeerd met een
paalpuntniveau van NAP -26 m. De optre-
dende zetting is in Rotterdam over het alge-
meen een reden om hoge gebouwen op een
dieper niveau, rond NAP -60 m te funderen,
met grote Tubex-palen. De kosten en extra
bouwtijd die hiermee gemoeid gaan, zouden
echter betekenen dat het project financieel
niet haalbaar zou zijn. Om de zetting te be-
perken zijn de funderingskrachten in de
grond over een groter oppervlak verdeeld.
Hiertoe zijn schoorpalen toegepast die ener-
zijds schoor staan tot onder het overstek en
anderzijds schoor naar de andere zijde van
het gebouw, waarmee de scheefstand wordt
voorkomen. De schoorpalen verdelen de
krachten op deze manier gelijkmatig over
een veel groter oppervlak van de samen-
drukbare laag waardoor de samendrukking
van die laag ook gelijkmatig optreedt.
Met deze maatregel kon ook scheef-
stand als gevolg van het zettingsgedrag
14
14 Hamerstuk tijdens de uitvoering
HOOGTE GEBOUW IN
RELATIE TOT
GEVOLGKLASSE
Volgens de huidige versie van
NEN-EN 1990 (NEN-EN
1990:2002+A1:2019+NB:2019
'Grondslagen van het construc-
tief ontwerp') geldt dat wanneer
het hoogste verblijfsgebied
hoger ligt dan 70 m boven
maaiveld, gevolgklasse CC3
moet worden aangehouden. In
eerdere versies (NEN-EN
1990:2002+C2:2010+NB:2011)
werd nog naar de gebouw-
hoogte gekeken. De norm is
hiermee gelijkgetrokken met de
eisen ten aanzien van brand,
waar altijd al naar het hoogste
verblijfsgebied werd gekeken.
CEMENT 5 2026 ?13
worden voorkomen. Onder het overstek
komt het gewicht van het gebouw overeen
met een toren van 110 m, terwijl aan de an-
dere zijde het gewicht vergelijkbaar is met
een toren van 30 m. Met deze maatregel kon
ook scheefstand als gevolg van het zettings-
gedrag worden voorkomen. Onder het over-
stek komt het gewicht van het gebouw over-
een met een toren van 110 m, terwijl aan de
andere zijde het gewicht vergelijkbaar is met
een toren van 30 m. Door deze hoge belas-
ting aan de overstekzijde zou, bij het toepas-
sen van palen zonder schoorstand, op de
lange termijn onder de paalpunten een aan-
vullende vervorming van maximaal 60 mm
ontstaan door de samendrukking van de
dieper gelegen laag van Kedichem (Formatie
van Waalre) en daarmee een verschilzetting
ten opzichte van de andere zijde van het ge-
bouw. Het gebouw zou dan na verloop van
jaren steeds schever gaan staan.
Voor het bepalen van de zettingen
heeft een iteratief proces plaatsgevonden
tussen de geotechnisch adviseur en de con-
structeur. Op basis van de opgegeven belas-
tingen vanuit het gebouw op de ondergrond
zijn de zettingen bepaald en deze zijn vervol-
gens als voorgeschreven verplaatsing in het
rekenmodel ingevoerd. Na diverse aanpas-
singen en iteraties van de schoorstand, is
uiteindelijk een palenplan uitgewerkt dat re-
sulteert in een rechtstandige zetting (fig. 15).
Bouwput
De locatie van Downtown was voorheen al
bebouwd. Voordat de bouw kon starten is de
bestaande bebouwing gesloopt. De oude
panden verschilden in opbouw. Sommige
waren voorzien van een kelder. En er waren
de nodige funderingspalen aanwezig.
Om de palen voor de nieuwbouw te
kunnen maken moesten de kelders worden
gesloopt. De buitenwanden van de kelders
stonden op de erfgrens. In overleg met de
aannemer zijn deze wanden gebruikt voor
een Berlinerwand. In de bestaande kelder-
vloeren zijn gaten geboord, waardoor een
staalprofiel de grond in kon worden gedrukt,
die tegen de bestaande wand is geplaatst
(in plaats van ertussen, bij een traditionele
15 Model van de funderingspalen berekend met voorgeschreven verplaatsingen
15
14?CEMENT?5 2026
Berlinerwand). Op plaatsen waar geen be-
staande kelder aanwezig was, is een traditio-
nele Berlinerwand toegepast.
Door toepassing van de Berlinerwand
kon de bouwput op de erfgrens worden ge-
realiseerd, waardoor geen taluds nodig wa-
ren en alle kabels en leidingen direct buiten
de bouwput konden blijven liggen. Deze
werkwijze was mogelijk doordat de grond-
waterstand hier relatief laag ligt, zodat een
droge bouwput kon worden gerealiseerd.
Nadat alle keldervloeren waren gesloopt, is
de bouwput met zand aangevuld tot aan het
funderingsniveau van het gebouw en zijn de
nieuwe palen gemaakt. De positie van de pa-
len is afgestemd op de ingemeten bestaande
palen. Op diverse plaatsen waren aanpas-
singen in het palenplan nodig vanwege puin-
resten die op grotere diepte aanwezig bleken
te zijn. Met name onder het overstek, waar
een dicht palenveld nodig was, waren de
tussenafstanden krap. Hier konden de nieu-
we palen niet overal op de constructief gun-
stigste positie worden aangebracht. Om de
belastingen vanuit de kolommen desondanks
op verantwoorde wijze naar de funderings-
palen af te dragen, is ter plaatse een ver-
zwaarde 2,5 m hoge funderingsstrook gerea-
liseerd. Deze zorgt voor een gelijkmatige
krachtsverdeling en een effectieve overdracht
van de kolomkrachten naar de onderliggen-
de palen.
Ambitieuze architectuur
Downtown laat zien hoe een uitgesproken
architectonisch gebaar kan worden vertaald
naar een realiseerbare en robuuste con-
structie. Het overstek van 10 m stelde hoge
eisen aan de draagstructuur, fundering en
uitvoeringsmethode en vroeg om een inten-
sieve samenwerking tussen architect, aan-
nemer, geotechnisch adviseur en construc-
teur. Door al in een vroeg stadium ontwerp,
uitvoering en geotechnische aspecten inte-
graal af te stemmen, konden oplossingen
worden ontwikkeld die zowel technisch als
economisch haalbaar waren. Het resultaat
is een woontoren die niet alleen een mar-
kante toevoeging vormt aan de Rotterdamse
skyline, maar ook laat zien hoe een con-
structief ontwerp kan bijdragen aan ambi-
tieuze architectuur.?
16 Wapening van de verzwaarde strook onder de kolommen
16
CEMENT 5 2026 ?15
In het kort
- Downtown bestaat uit een 24 verdiepingen hoge toren en een langgerekte, zevenlaagse plint
- De draaglijnen van de toren lopen door in de onderbouw, wat leidt tot een voor de constructie logische draagstructuur
- De kern is in de woontoren gekoppeld met twee outriggerwanden
- De wanden kragen in drie stappen 7,5 m uit
- Cruciaal in het krachtenspel van het overstek is het diagonaal naar binnen leiden van de belasting naar het funderingsoppervlak
- De uitkraging is gerealiseerd met 80 cm hoge prefab balken
- In de bouwfase zijn de openingen in de uitkragende wanden dichtgelaten
- Om de krachten vanuit de wand over te brengen op de kolom, is een staalprofiel in de wand ingestort
- Er is veel aandacht besteed aan de tweede draagweg
- Door slim om te gaan met de funderingspalen, kon het gebouw op de eerste zandlaag worden gefundeerd op NAP -26 m in plaats van op het hier gebruikelijke niveau van NAP -60 m
- In overleg met de aannemer zijn wanden van de bestaande kelders gebruikt als Berliner wand
Projectgegevens
Project: Downtown
Opdrachtgever: SENS real estate / LIFE NL
Architect: OZ
Constructieadviseur: IMd Raadgevende Ingenieurs
Aannemer: Stebru
Geotechnisch adviseur: ABO-Geomet
Oplevering: december 2025
Foto 1 Bijzonder aan Downtown is vooral het 10 m grote overstek (foto: Valentijn Kortekaas i.o.v. OZ)
Downtown ligt ingeklemd tussen de twee kolossen Cooltoren en The Baantower, in het hart van het Rotterdamse Baankwartier (foto 2). Het is een woongebouw met een 75 m hoge toren van 24 verdiepingen en een langgerekte, zevenlaagse plint (onderbouw) (fig. 3). Deze plint sluit aan bij de gemiddelde gebouwhoogte in de stad, ook wel de Rotterdamse laag genoemd, een onderdeel uit de hoogbouwvisie van de gemeente Rotterdam.
Er zijn zowel koop- als huurappartementen voorzien. Op de begane grond en de eerste verdieping zijn woon-werkunits gesitueerd en op de tweede verdieping bevindt zich een inpandige stallinggarage, bereikbaar via een autolift. Het dak van het plintgebouw is ingericht als gemeenschappelijke daktuin.
Foto 2 Downtown ligt tussen de twee kolossen Cooltoren en The Baantower (foto: Valentijn Kortekaas i.o.v. OZ)
Figuur 3 3D-constructiemodel Downtown
Draagstructuur
De draaglijnen van de toren lopen door in de onderbouw, wat leidt tot een voor de constructie logische draagstructuur (fig. 4). Voor zowel de woontoren als de plint bestaat de constructie uit 250 mm dikke breedplaatvloeren die van betonwand naar betonwand maximaal 6,60 m overspannen (fig. 5 en 6). Deze wanden zijn in de basis 250 mm dik. Onder de dragende eindgevels van de woontoren (assen C en G) zijn ze 300 mm dik en bij de stabiliteitswanden 350 mm.
De stabiliteit wordt in dwarsrichting verzorgd door de betonwanden (fig. 5 en 6). Voor de stabiliteit in langsrichting is in de onderbouw een kern aanwezig, die in de woontoren gekoppeld is met twee outriggerwanden.
Vanwege de beperkte bouwplaats is de bouwkraan in de kern geplaatst. Deze kraan stond niet op de fundering, maar steunde af op de verdieping die zich 5 tot 10 lagen onder het werkniveau bevond en is tijdens de bouw meegeklommen. Hierdoor kon de afmeting van de kraanmast beperkt blijven, zodat hij in de liftschacht paste.
Rondom de woontoren zijn slanke balkons voorzien, met een wisselende diepte. De diepte bedraagt minimaal 1,1 m, zodat de ramen kunnen worden bewassen. Bij de buitenruimte neemt de diepte toe tot 2,6 m. Doordat dit diepere gedeelte per verdieping wisselt, ontstaat een speels effect in het aanzicht van de toren. De balkons kragen met een koudebrugonderbreking uit vanuit de verdiepingsvloeren.
Figuur 4 Doorsneden (van links naar rechts over de assen D t/m G)
Figuur 5 Plattegrond van de 13e verdieping, met in blauw de stabiliteitswanden (outriggerwanden) in x-richting en in rood de stabiliteitswanden in y-richting
Figuur 6 Plattegrond van de 5e verdieping met in blauw de kern voor stabiliteit in x-richting en in rood de stabiliteitswanden in y-richting
Cruciaal in het krachtenspel van het overstek is het diagonaal naar binnen leiden van de belasting naar het funderingsoppervlak
Overstek
Kenmerkend voor Downtown is het enorme overstek: de wanden kragen in drie stappen 7,5 m uit. Samen met het uitkragende balkon, steekt het geheel 10 m voorbij de gevel van de begane grond (foto 1). Onder het overstek zijn in de wanden in de richting van het overstek verdikkingen aangebracht, vanwege de hoge belastingconcentratie. Om grote horizontale krachten op de stabiliteitswanden te voorkomen, is evenwicht in de wand gezocht. Cruciaal in dit krachtenspel is het diagonaal naar binnen leiden van de belasting uit de uitkragende bovenbouw naar het funderingsoppervlak dat op maaiveld beschikbaar is (fig. 7). In een vroeg stadium van het ontwerp zijn hiervoor oplossingen in beton en staal onderzocht. Uitvoering in beton bleek eenvoudiger met het oog op ruimtebeslag, brandwerendheid, bouwfysica en uitvoering.
Figuur 7 Krachtenspel bij overstek (as F). Op 7e en 8e verdieping zijn tweelaagse maisonnettes ontworpen, waardoor sparing in wand op 8e verdieping niet nodig was en drukdiagonaal kan ontstaan. De drie uitkragingen van 2,5 m zijn gerealiseerd met uitkragende prefab balken. De sparing boven de prefab balk is tijdens de uitvoering dichtgestort
Figuur 8 Spanningen wand as F (doorsnede zie fig. 7)
Afstemming architectonisch ontwerp
Het overstek vroeg in de ontwerpfase om een nauwe afstemming met de architect. Er is onderzocht of het mogelijk was de wandsparingen in de toren te laten verspringen, zodat de wand van het overstek een stijve schijf zou vormen en de krachten vanuit het overstek over alle verdiepingen zouden worden verdeeld. Dit bleek lastig vanwege de woningindelingen en de toch al complexe positionering van de verticale schachten.
Om de krachtsinleiding toch mogelijk te maken, zijn op de 7e en 8e verdieping tweelaagse maisonnettes ontworpen, waarbij de twee woonlagen inpandig met een trap zijn gekoppeld. Hierdoor ontstaan bijzondere woningen aan het dakniveau van de plint. Het gevolg hiervan is dat op de 8e verdieping de gangzone die toegang biedt tot de woningen, kan vervallen. Daardoor kan in de wand de benodigde drukdiagonaal ontstaan die het overstek in evenwicht houdt (fig. 7).
Afstemming uitvoering
Naast de afstemming met de architect was vroegtijdig overleg met de aannemer nodig. Omdat onder het overstek de ontsluitingsroute voor het bouwverkeer was gepland, moest het overstek zonder steigers worden gebouwd. Voor elk van de drie stappen van 2,5 m is de uitkraging gerealiseerd met 80 cm hoge, uitkragende prefab balken, die onderdeel zijn van de betonwand (fig. 7 en foto 9). Tussen de balken bevindt zich een massieve prefab betonplaat. Doordat deze delen in prefab beton zijn uitgevoerd, was een tijdelijke ondersteuning niet nodig. Boven op de prefab betonbalk is de wand verder in het werk gestort.
De prefab plaat is ontworpen om de stortlast van de breedplaatvloer erboven te kunnen dragen. Nadat op die manier de eerste stap van het overstek van 2,5 m was gerealiseerd, konden op dezelfde manier de tweede en derde stap worden gemaakt.
In de bouwfase zijn de openingen in de uitkragende wanden dichtgelaten, zodat de volledige wand tijdens de bouw als uitkragende console werkte. Dit bleek constructief noodzakelijk. Nadat de wand tot en met de 12e verdieping gereed was en de drukdiagonaal in de wand volledig was gevormd, konden de sparingen uit de wand worden gezaagd (foto 10).
Bij de uitkragende gevels naast de toren is sprake van een open structuur (fig. 3), waardoor gesloten wanddelen niet mogelijk waren. Bij deze gevels is de belasting veel lager (hier bevindt zich geen toren boven), waardoor hier een hybride vierendeelligger kon worden gemaakt (fig. 11). Hierbij werken stalen liggers in de lateien samen met de betonnen penanten. Op die manier kon ook de kopgevel steigerloos worden gerealiseerd. Een extra complicatie hierbij was dat de staven van de isokorven van de balkons aan de kopgevel door het staalprofiel moesten worden gestoken, om ze in de vloer te kunnen verankeren (foto 12).
Foto 9 Uitkragende prefab balk tijdens uitvoering
Foto 10 Gezaagde deursparing
Figuur 11 Uitkragende vierendeelligger ter plaatse van de uitkraging naast de toren
Foto 12 De staven van de isokorven van de balkons aan de kopgevel moesten door het staalprofiel worden gestoken
De uitkraging is gerealiseerd met 80 cm hoge prefab balken
Hamerstuk
De uitkraging op de assen D en F van de toren draagt in de plintlagen af op betonkolommen (650 × 650 mm2) (fig. 7). Deze kolommen worden zeer zwaar belast. Om de krachten vanuit de wand over te brengen op de kolom, is in de wand op de 7e verdieping een staalprofiel HEM 240 in de wand ingestort.
Voor de aansluiting aan de bovenzijde is een hamerstuk met aangelaste drukwapening uitgewerkt (fig. 13a). Dit zorgt ervoor dat de oplegspanning in het beton niet wordt overschreden. Aan de onderzijde is met schotten een stijve voetplaat gecreëerd, die de krachten gelijkmatig verdeelt over de onderliggende kolom (fig. 13b). De voetplaat wordt naast de wand vastgebout aan in de kolom ingestorte DEMU-ankers.
Figuur 13 (a) hamerstuk aan de bovenzijde van de kolom, (b) de voetplaat aan de onderzijde t.p.v. overgang naar de kolom
Foto 14 Hamerstuk tijdens de uitvoering
Om de krachten vanuit de wand over te brengen op de kolom, is een staalprofiel in de wand ingestort
Tweede draagweg
Het hoogste verblijfsgebied van de toren bevindt zich net onder 70 m. Volgens de huidige norm zou het gebouw daarmee in gevolgklasse CC2 vallen, maar de aanvraag voor de omgevingsvergunning was gedaan net vóór de wijziging in NEN-EN 1990 in december 2020. Daarom moest de constructie in gevolgklasse CC3 worden uitgewerkt. Om die reden is veel aandacht besteed aan de tweede draagweg.
Er zijn diverse analyses uitgevoerd waarbij zwaarbelaste elementen zijn weggenomen. Ook de gevolgen van het wegvallen van de zwaarbelaste kolommen en verdikte wanden onder het overstek is geanalyseerd. Doordat in deze situatie geen extreme windbelasting wordt gerekend, de materiaalfactoren zijn verlaagd én vanwege de robuustheid van de constructie door twee drukdiagonalen ter plaatse van het overstek (fig. 7), bleek het mogelijk om in die situaties met beperkte extra wapening de belasting uit het overstek op te nemen.
Hoogte gebouw in relatie tot gevolgklasse
Volgens de huidige versie van NEN-EN 1990 (NEN-EN 1990:2002+A1:2019+NB:2019 ‘Grondslagen van het constructief ontwerp’) geldt dat wanneer het hoogste verblijfsgebied hoger ligt dan 70 m boven maaiveld, gevolgklasse CC3 moet worden aangehouden. In eerdere versies (NEN-EN 1990:2002+C2:2010+NB:2011) werd nog naar de gebouwhoogte gekeken. De norm is hiermee gelijkgetrokken met de eisen ten aanzien van brand, waar altijd al naar het hoogste verblijfsgebied werd gekeken.
Fundering
Heien was op deze locatie in de stad niet mogelijk. Daarom is de woontoren gefundeerd op 147 grondverdringend geschroefde palen met groutinjectie en een verloren schroefpunt. Door slim om te gaan met de funderingspalen, kon het gebouw op de eerste zandlaag worden gefundeerd met een paalpuntniveau van NAP -26 m. De optredende zetting is in Rotterdam over het algemeen een reden om hoge gebouwen op een dieper niveau, rond NAP -60 m te funderen, met grote Tubex-palen. De kosten en extra bouwtijd die hiermee gemoeid gaan, zouden echter betekenen dat het project financieel niet haalbaar zou zijn. Om de zetting te beperken zijn de funderingskrachten in de grond over een groter oppervlak verdeeld. Hiertoe zijn schoorpalen toegepast die enerzijds schoor staan tot onder het overstek en anderzijds schoor naar de andere zijde van het gebouw, waarmee de scheefstand wordt voorkomen. De schoorpalen verdelen de krachten op deze manier gelijkmatig over een veel groter oppervlak van de samendrukbare laag waardoor de samendrukking van die laag ook gelijkmatig optreedt.
Met deze maatregel kon ook scheefstand als gevolg van het zettingsgedrag worden voorkomen. Onder het overstek komt het gewicht van het gebouw overeen met een toren van 110 m, terwijl aan de andere zijde het gewicht vergelijkbaar is met een toren van 30 m. Door deze hoge belasting aan de overstekzijde zou, bij het toepassen van palen zonder schoorstand, op de lange termijn onder de paalpunten een aanvullende vervorming van maximaal 60 mm ontstaan door de samendrukking van de dieper gelegen laag van Kedichem (Formatie van Waalre) en daarmee een verschilzetting ten opzichte van de andere zijde van het gebouw. Het gebouw zou dan na verloop van jaren steeds schever gaan staan.
Voor het bepalen van de zettingen heeft een iteratief proces plaatsgevonden tussen de geotechnisch adviseur en de constructeur. Op basis van de opgegeven belastingen vanuit het gebouw op de ondergrond zijn de zettingen bepaald en deze zijn vervolgens als voorgeschreven verplaatsing in het rekenmodel ingevoerd. Na diverse aanpassingen en iteraties van de schoorstand, is uiteindelijk een palenplan uitgewerkt dat resulteert in een rechtstandige zetting (fig. 15).
Figuur 15 Model van de funderingspalen berekend met voorgeschreven verplaatsingen
Bouwput
De locatie van Downtown was voorheen al bebouwd. Voordat de bouw kon starten is de bestaande bebouwing gesloopt. De oude panden verschilden in opbouw. Sommige waren voorzien van een kelder. En er waren de nodige funderingspalen aanwezig.
Om de palen voor de nieuwbouw te kunnen maken moesten de kelders worden gesloopt. De buitenwanden van de kelders stonden op de erfgrens. In overleg met de aannemer zijn deze wanden gebruikt voor een Berlinerwand. In de bestaande keldervloeren zijn gaten geboord, waardoor een staalprofiel de grond in kon worden gedrukt, die tegen de bestaande wand is geplaatst (in plaats van ertussen, bij een traditionele Berlinerwand). Op plaatsen waar geen bestaande kelder aanwezig was, is een traditionele Berlinerwand toegepast.
Door toepassing van de Berlinerwand kon de bouwput op de erfgrens worden gerealiseerd, waardoor geen taluds nodig waren en alle kabels en leidingen direct buiten de bouwput konden blijven liggen. Deze werkwijze was mogelijk doordat de grondwaterstand hier relatief laag ligt, zodat een droge bouwput kon worden gerealiseerd.
Nadat alle keldervloeren waren gesloopt, is de bouwput met zand aangevuld tot aan het funderingsniveau van het gebouw en zijn de nieuwe palen gemaakt. De positie van de palen is afgestemd op de ingemeten bestaande palen. Op diverse plaatsen waren aanpassingen in het palenplan nodig vanwege puinresten die op grotere diepte aanwezig bleken te zijn. Met name onder het overstek, waar een dicht palenveld nodig was, waren de tussenafstanden krap. Hier konden de nieuwe palen niet overal op de constructief gunstigste positie worden aangebracht. Om de belastingen vanuit de kolommen desondanks op verantwoorde wijze naar de funderingspalen af te dragen, is ter plaatse een verzwaarde 2,5 m hoge funderingsstrook gerealiseerd. Deze zorgt voor een gelijkmatige krachtsverdeling en een effectieve overdracht van de kolomkrachten naar de onderliggende palen.
Foto 16 Wapening van de verzwaarde strook onder de kolommen
Ambitieuze architectuur
Downtown laat zien hoe een uitgesproken architectonisch gebaar kan worden vertaald naar een realiseerbare en robuuste constructie. Het overstek van 10 m stelde hoge eisen aan de draagstructuur, fundering en uitvoeringsmethode en vroeg om een intensieve samenwerking tussen architect, aannemer, geotechnisch adviseur en constructeur. Door al in een vroeg stadium ontwerp, uitvoering en geotechnische aspecten integraal af te stemmen, konden oplossingen worden ontwikkeld die zowel technisch als economisch haalbaar waren. Het resultaat is een woontoren die niet alleen een markante toevoeging vormt aan de Rotterdamse skyline, maar ook laat zien hoe een constructief ontwerp kan bijdragen aan ambitieuze architectuur.
Reacties
Ronald Sloetjes - HCI Betonindustrie 22 oktober 2026 19:02
Ik heb destijds voor HCI het prefab beton mogen modelleren. Mooi project en het lezen van dit artikel zorgt voor interessante flashbacks