In de nieuwe Eurocode is een aangepaste formule voor de minimale schuifspanningsweerstand opgenomen. Ten opzichte van de formule in de huidige Eurocode zijn de ruwheid van de scheur en de aanwezige vloeispanning van het staal als nieuwe parameters opgenomen, wat bijdraagt aan een nauwkeurigere bepaling van de minimale schuifspanningsweerstand. Door de auteurs van dit artikel is geconstateerd dat bij de afleiding door de taakgroep binnen CEN enkele niet-conservatieve aannames zijn gedaan. Daarom is in dit artikel een verbeterde formule beschreven. Uit een vergelijking met proeven blijkt dat met deze verbeterde formule de minimale schuifspanningsweerstand veilig kan worden bepaald. Deze verbeterde formule is opgenomen in (concept) wijzigingsbladen bij de NEN-EN 1992-1-1+C1:2011/NB:2016+A1:2020 en bij de NEN 8702:2023.
In 2012 werd in Nederland de huidige Eurocode-serie, de Europese normen voor het toetsen van de constructieve veiligheid van alle mogelijke bouwconstructies, geïntroduceerd. Binnen een aantal jaar wordt de opvolger van kracht.
De nieuwe Eurocode 2 is al in 2023 goedgekeurd. De komende tijd zal worden gewerkt aan een Nederlandse vertaling en zal de nationale bijlage bij de Eurocodes worden opgesteld.
In Cement wordt in diverse artikelen aandacht besteed aan de nieuwe Eurocodes, vooral toegespitst op Eurocode 2. Maar er wordt ook aandacht besteed aan Eurocode 0 (Grondslag van het constructief ontwerp) en Eurocode 1 (Belastingen op constructies).
Bekijk het Dossier ‘Nieuwe generatie Eurocodes op Cementonline.
In de nieuwe Eurocode 2 is de wijze waarop de dwarskrachtweerstand moet worden bepaald fundamenteel gewijzigd. Deze wijzigingen zullen aanzienlijke gevolgen hebben voor de bouwpraktijk. Aan de dwarskrachtformules is sinds 2012 gewerkt door een taakgroep binnen CEN (CEN/TC250/SC2/WG1/TG4). In Nederland zijn onderzoekers van de TU Delft, TNO en Rijkswaterstaat hierbij betrokken geweest.
In een serie artikelen in Cement wordt de aangepaste methodiek voor het bepalen van de dwarskrachtweerstand beschreven en vergeleken met de huidige methodiek. Hierbij zal ook aandacht zijn voor de vraag of het wijzigen van de dwarskrachtregels wel nodig is. Met deze serie artikelen wordt geprobeerd inzicht te geven in de achtergronden van de volgende generatie Eurocode betonconstructies, zodat op deze manier kan worden bijgedragen aan een soepelere invoering in Nederland.
Dit derde deel gaat in op de bepaling van de minimale schuifspanningsweerstand. In het eerste deel werd de dwarskrachtweerstand toegelicht wanneer geen normaalkracht aanwezig is en in het tweede is de invloed van de normaalkrachten op de dwarskrachtweerstand zonder dwarskrachtwapening beschreven.
In een vervolgartikel zal worden ingegaan op de dwarskrachtweerstand van elementen mét dwarskrachtwapening. Vervolgens zal een artikel worden gewijd aan het bepalen van de dwarskrachtweerstand bij de beoordeling van bestaande constructies. De serie artikelen zal worden afgesloten met twee artikelen over de impact van de wijzigingen voor de bouwpraktijk, één voor infrastructurele werken en één voor de utiliteitsbouw.
In de huidige Eurocode is de dwarskrachtweerstand gerelateerd aan het langswapeningspercentage. Wanneer dit langswapeningspercentage terugloopt naar nul, zou in theorie ook de dwarskrachtweerstand naar nul teruglopen. Dit fenomeen is echter nooit geconstateerd bij experimenten. Dit komt omdat proefstukken met lage langswapeningspercentages altijd eerder zullen bezwijken op buiging. De laagst mogelijke dwarskrachtweerstand wordt daarom gevonden wanneer het vloeien van de langswapening en bezwijken op dwarskracht gelijktijdig optreden [1]. Juist naar dit specifieke bezwijkmechanisme is in het verleden onderzoek gedaan door de TU Delft (foto 1).
De minimale schuifspanningsweerstand is in eerste instantie afgeleid voor gewapende elementen. Het effect van de aanwezigheid van een normaalkracht op de minimale schuifspanningsweerstand wordt verderop in dit artikel toegelicht. Wanneer geen normaalkracht aanwezig is (NEd = 0), dan volgt rekenwaarde van de dwarskrachtweerstand voor elementen zonder dwarskrachtwapening VRd,c uit de formule (verkorte weergave van formule 6.2a in de huidige Eurocode):
In deze formule is:
k De factor voor het schaal-effect, gelijk aan 1 + √(200/d), met k ≤ 2
ρl De wapeningsverhouding voor de langswapening, die gelijk is aan Asl /(bw d) , met ρl ≤ 0,02
d De effectieve hoogte van de doorsnede
bw d Het effectieve dwarskrachtoppervlakte, waarbij bw gelijk is aan de kleinste breedte van de dwarsdoorsnede in de zone onder trek
fck De karakteristieke cilinderdruksterkte van beton
CRd,c De factor die is bepaald op basis van de resultaten van 176 experimenten van König en Fischer [2]. Uit een statische beschouwing volgt, bij een beoogde betrouwbaarheidsindex van 3,8, een gemiddelde CRm,c van 0,163, een karakteristieke waarde (5% ondergrens) van CRk,c = 0,150 en een rekenwaarde van CRd,c = 0,116 [3]. Deze laatste waarde is overigens in de huidige Eurocode afgerond naar 0,12 (0,18/γc).
In de afleiding van de minimale schuifspanningsweerstand vmin is gebruikgemaakt van de karakteristieke waarde van de dwarskrachtweerstand:
De minimale schuifspanningsweerstand vmin is afgeleid voor de ligger in figuur 2, door het langswapeningspercentage te bepalen waarbij vloeien van de langswapening en bezwijken op dwarskracht gelijktijdig optreden. Voor de dwarskrachtoverspanning a is 2,5d aangehouden, waarbij ervan wordt uitgegaan dat hierbij de kleinste verhouding tussen de bezwijkweerstand op afschuiving en buiging wordt gevonden (‘het dal van Kani’ [3]).
Bij het bereiken van de karakteristieke waarde van de dwarskrachtweerstand is het moment onder de puntlast gelijk aan:
Het karakteristieke vloeimoment is bij benadering gelijk aan:
MRk = 0,9d (ρl b d) fyk
Door MR,Vk en MRk aan elkaar gelijk te stellen, wordt de wapeningsverhouding voor de langswapening ρl gevonden waaronder geen bezwijken op afschuifbuigbreuk valt te verwachten:
Wanneer deze ρl wordt ingevuld in de formule voor VRd,c (met CRd,c = 0,163) en wordt uitgegaan van een maximale waarde voor fyk van 500 N/mm2, dan wordt de rekenwaarde voor de schuifspanningsweerstand gevonden zoals opgenomen in de huidige Eurocode:
Er zijn drie kanttekeningen te maken ten aanzien van bovenstaande afleiding:
Voor bestaande constructies zou nog rekening gehouden kunnen worden met gebruik van glad staal (lagere dwarskrachtweerstand) en de hogere weerstand bij platen ten opzichte van balken (plaatfactor). Daarnaast kan aanname 2 vooral voor bestaande constructies leiden tot conservatieve resultaten. Deze invloeden zullen worden toegelicht in een volgende artikel, dat specifiek gericht is op het beoordelen van bestaande constructies in combinatie met de nieuwe Eurocode.
Opgemerkt wordt dat in principe een formule voor vmin niet nodig is. Immers, wanneer de weerstand tegen bezwijken op moment hoger is dan het optredende moment, zal de dwarskrachtweerstand volgens de algemene formule altijd hoger uitvallen. Desondanks kan de formule interessant zijn voor ontwerpers, omdat hiermee eenvoudig een ondergrens voor de dwarskrachtweerstand kan worden bepaald zonder dat hierbij de hoeveelheid langswapening bekend hoeft te zijn.
Aan de eerste twee kanttekeningen wordt tegemoet gekomen in de nieuwe Eurocode. Hierin is de minimale schuifspanningsweerstand afgeleid op basis van de Critical Shear Crack Theory (CSCT), net als de algemene formule voor de dwarskrachtweerstand. Verder is fyk in de formule voor vmin expliciet opgenomen, zodat een aanname voor fyk niet nodig is.
In de nieuwe Eurocode wordt de rekenwaarde van de minimale schuifspanningsweerstand niet langer weergegeven als vmin maar als τRdc,min. Verder moet bij het bepalen van de minimale dwarskrachtweerstand op basis van de minimale schuifspanningsweerstand rekening worden gehouden dat de definitie van het effectieve dwarskrachtoppervlakte is gewijzigd van bw d naar bw z, met z = 0,9d.
In de nieuwe Eurocode is de dwarskrachtweerstand, zoals hiervoor aangegeven, gebaseerd op de CSCT, een semi-empirisch model ontwikkeld door Muttoni [4, 6]. In het achtergrondrapport bij de nieuwe Eurocode [7] is bij het afleiden van de gemiddelde waarde van de minimale schuifspanningsweerstand (gemiddeld, dus zonder de partiële factor) gebruikgemaakt van de oorspronkelijke machtsfunctie volgens de CSCT voor de dwarskrachtweerstand, hier weergegeven als VRmc.
met
In de formule voor de dwarskrachtweerstand is fcm de gemiddelde cilinderdruksterkte van beton, beschrijft ddg de gemiddelde ruwheid van de kritische scheur en is εv de rek in de langswapening. De factor k wordt gebruikt om de invloed van de vorm van de kritische schuifscheur op de schuifspanningsweerstand in rekening te brengen. In de formule van k is acs de effectieve dwarskrachtoverspanning gerelateerd aan de toetssnede die gelijk is aan |MEd/VEd|.
Volgens de hiervoor gedefinieerde definitie wordt de gemiddelde minimale dwarskrachtweerstand VRmc,min bereikt wanneer de gemiddelde rek in de langswapening gelijk is aan de vloeirek, dus εvm = fym/Es. Wanneer verder wordt uitgegaan van een slankheidsratio acs/d van 4 en een Es van 200.000 N/mm2, dan wordt voor de minimale dwarskrachtweerstand gevonden:
De rekenwaarde van de minimale schuifspanningsweerstand τRdc,min wordt gevonden door τRmc,min te delen door γv, de partiële factor voor de dwarskrachtweerstand wanneer geen dwarskrachtwapening aanwezig is. De aanbevolen waarde voor γv is 1,4. Wanneer gedeeld wordt door het effectieve dwarskrachtoppervlakte bw z, fcm wordt vervangen door fck en fym door fyd, en de berekende 10,53 vervolgens wordt afgerond naar 11, dan wordt τRdc,min gevonden zoals opgenomen in de nieuwe Eurocode:
In de nieuwe Eurocode blijkt de minimale schuifspanningsweerstand op een eenvoudige fysisch logische manier te kunnen worden afgeleid door uit te gaan van de vloeirek van de langswapening. Toch zijn er drie kanttekeningen te maken ten aanzien van bovenstaande afleiding:
Gezien bovenstaande punten, wordt in het vervolg van dit artikel de (gemiddelde) minimale schuifspanningsweerstand opnieuw bepaald uitgaande van acs /d = 2 en door het invoeren van een additionele schaalfactor voor elementen met een d > 500 mm. Vervolgens zal de ontwerpwaarde van de minimale schuifspanningsweerstand rechtstreeks worden bepaald door gebruik te maken van een set van relevante experimenten die door de auteurs voor dit doel is samengesteld.
Naar aanleiding van bovenstaande is een verbeterde formule opgesteld voor de minimale schuifspanningsweerstand, waarvan de afleiding is opgenomen in een rapport van de TU Delft [8]. Voor de minimale schuifspanningsweerstand wordt voorgesteld om in plaats van kvd, een vereenvoudigde correctiefactor voor het schaaleffect te gebruiken, namelijk kv,min. Omdat in de afleiding van de formule voor de minimale schuifspanningsweerstand al wordt uitgegaan van de vloeirek van het staal en ddg slechts een beperkte invloed heeft op het de correctiefactor, hoeft enkel het effect van d te worden beschouwd:
In de verbeterde formule wordt uitgegaan van een slankheidsratio acs /d van 2 en worden fcm en fym vervangen door de iets conservatievere combinatie van fck en fyk. Wanneer de berekende 8,86 naar beneden wordt afgerond, wordt voor de gemiddelde schuifspanningsweerstand gevonden:
Nota bene: De hier aangegeven correctiefactor voor het schaaleffect is in de nieuwe Eurocode alleen aangegeven voor de beoordeling van bestaande bouw maar is in principe ook van toepassing voor nieuwbouw. Deze waarde is daarom hier verwerkt in de ontwerpvergelijking.
Om de nauwkeurigheid van de verbeterde formule te onderzoeken, is deze vergeleken met proefresultaten. Hierbij hebben de auteurs gebruikgemaakt van twee bronnen. De eerste bron betreft een set van 38 experimenten uitgevoerd door de TU Delft. Deze proefstukken bezweken op dwarskracht, terwijl de langswapening tegelijkertijd vloeide en zijn daarom exact representatief voor het beoogde bezwijkmechanisme. In 30 van deze proefstukken is geribd wapeningsstaal toegepast en in 8 proefstukken glad staal (gladde staven vallen strikt genomen buiten het toepassingsgebied van de Eurocode voor nieuwbouw).
De tweede bron betreft de uitgebreide ACI-DAfStb dwarskrachtdatabase, opgesteld door DAfStb (Deutschen Ausschuss für Stahlbeton) en ACI (American Concrete Institute) [9]. Deze testen bevatten echter geen experimenten waarbij de langswapening bij bezwijken op dwarskracht vloeit en deze zijn dus eigenlijk niet geschikt voor de validatie. Om toch gebruik te kunnen maken van deze internationale database, zijn 29 proefstukken geselecteerd waarbij de rek in de langswapening bij bezwijken op dwarskracht minimaal gelijk was aan 75% van de vloeirek. In alle 29 experimenten uit deze dwarskrachtendatabase is geribd wapeningsstaal gebruikt.
Alle van de in totaal 67 geselecteerde proefstukken betreffen gewapende betonnen liggers zonder dwarskrachtwapening.
De auteurs van dit artikel hebben de experimenteel gevonden schuifspanningsweerstand τRc,exp vergeleken met de gemiddelde minimale schuifspanningsweerstand τRmc,min (dus zonder partiële factor) volgens de huidige Eurocode (fig. 3), de nieuwe Eurocode (fig. 4) en de verbeterde formule (fig. 5). Voor de huidige Eurocode is de gemiddelde schuifspanning τRmc,min gelijk aan 0,047 k3/2 fcm½. Deze formule wordt gevonden door de afleiding van τRmc,min in [5] te combineren met fym = 539 N/mm2 (wat overeenkomt met een fyk van 500 N/mm2). Voor de nieuwe Eurocode is uitgegaan van de formule voor τRdc,min. Deze is vertaald naar een gemiddelde waarde door uit te gaan van γv = 1 en door fck en fyd te vervangen door fcm en fym. Voor de verbeterde formule is uitgegaan van de hierboven beschreven formule voor τRmc,min en een correctie voor de scheurafstand voor de 8 proefstukken waarin glad staal is toegepast. Deze correctie zal in een volgend artikel over bestaande constructies verder worden toegelicht.
Uit de figuren blijkt dat de huidige Eurocode de minimale schuifspanningsweerstand niet erg consistent kan bepalen. Voor lage proefstukken wordt de minimale schuifspanningsweerstand onderschat en voor hoge proefstukken wordt deze overschat. De bepaling van de minimale schuifspanningsweerstand met de nieuwe Eurocode blijkt veel consistenter te zijn, maar geeft nog steeds een overschatting voor hoge proefstukken. Een correctie voor het schaaleffect is daarom noodzakelijk. Alleen de verbeterde formule geeft consistente voorspellingen voor zowel lage als hoge proefstukken. Het schaaleffect is dus goed gecorrigeerd.
Figuur 3. Ratio van experimentele en gemiddelde schuifspanningsweerstand volgens de huidige Eurocode
Figuur 5. Ratio van experimentele en gemiddelde schuifspanningsweerstand volgens de verbeterde formule
Op basis van de 67 ratio’s τRc,exp /τRmc,min kan de correctie voor de rekenwaarde Xd voor de dwarskrachtweerstand worden bepaald en de bijbehorende benodigde partiële factor γv (=1/Xd). Hiervoor is gebruikgemaakt van Annex D7.3 van [10]. Uitgaande van berekende ratio’s, een lognormale verdeling, een beoogde β van 3,8 en het hanteren van een bekende waarde voor de variatiecoëfficiënt Vx, wordt voor de verbeterde formule een Xd gevonden van 0,705 wat neer komt op een benodigde γv van 1,42 (zie tabel 1). Deze waarde komt vrijwel overeen met de aanbevolen waarde voor γv van 1,4. Deze waarde is in Europees verband bepaald uit experimentele data voor de algemene formule voor de dwarskrachtweerstand. Uit tabel 1 blijkt overigens dat voor de huidige Eurocode en de nieuwe Eurocode een veel hogere γv nodig zou zijn om de beoogde β te halen.
De rekenwaarde voor de verbeterde formule kan worden bepaald met de formule:
Deze verbeterde formule is opgenomen in (concept) wijzigingsbladen bij de NEN-EN 1992-1-1+C1:2011/NB:2016+A1:2020 en bij de NEN 8702:2023. Hierin zijn de regels voor de dwarskrachtweerstand voor elementen zonder dwarskrachtwapening opgenomen, vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Eurocode. Opgemerkt wordt dat in deze wijzigingsbladen in plaats van een factor 8,8 een factor 8,5 is opgenomen. Dit komt op de eerste plaats omdat het effectieve dwarskrachtoppervlakte volgens de huidige Eurocode gelijk is aan bw d, terwijl deze in de nieuwe Eurocode is gedefinieerd als zd(= 0,9bw d). Op de tweede plaats maakt de huidige Eurocode nog niet expliciet gebruik van een partiële factor voor dwarskracht en daarom is in de ontwerpwijzigingsbladen gebruikgemaakt van γc (γc = 1,5) in plaats van γv van (γv = 1,4).
In tegenstelling tot de vmin-formule uit de huidige Eurocode, waarin het effect van voorspanning/een normaalkracht expliciet wordt beschouwd met een aanvullende term 0,15σcp, is in de nieuwe Eurocode geen extra term nodig. De reden is dat de nieuwe Eurocode de dwarskrachtweerstand relateert aan de scheurwijdte van een kritisch aangenomen dwarskrachtscheur. De scheurwijdte wordt gerelateerd aan het product van de rek in de langswapening εv en de scheurafstand. Voor de scheurafstand bij geribd wapeningsstaal wordt voor de eenvoud de effectieve hoogte d aangehouden. Het effect van voorspanning kan dus direct worden meegenomen door de scheurwijdte te baseren op de toename van de spanning in de langswapening nadat het beton scheurt. Voor een voorspanelement met een werkvoorspanningsniveau σpw kan de kritische scheurwijdte worden gerelateerd aan de totale rek minus σpw,∞ /Ep vermenigvuldigd met d. De minimale dwarskrachtweerstand wordt gevonden wanneer bezwijken op dwarskracht gelijktijdig optreedt met het vloeien van de langswapening. Wanneer in het geval van een voorspanelement in plaats van de vloeigrens, de 0,1%-rekgrens wordt gebruikt, kan εv worden vervangen door (fp0,1k – σpw,∞) d/Ep. Het effect van de voorspanning kan dus worden meegenomen door in de formule voor minimale schuifspanningsweerstand de waarde fyk te vervangen door (fp0,1k – σpw,∞), zoals opgenomen in de nieuwe Eurocode. Voor een combinatie van wapeningsstaal en voorspanstaal kan conservatief de hoogste van fyk en (fp0,1k – σpw) worden ingevuld in de formule voor de minimale schuifspanningsweerstand. Voor een minder conservatieve waarde kan gebruik worden gemaakt van de algemene formule voor dwarskrachtweerstand.
Reacties