Log in
inloggen bij Cement
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Alle kennis / Artikelen

Interview met Carla Mulder

"Zolang je doet wat je leuk vindt en weet wat je wilt, kun je een eind komen" Jacques Linssen - 26 maart 2021

Het puzzelen met complexe constructies, dat is wat Carla Mulder (Royal HaskoningDHV) het liefste doet. En anderen overtuigen van haar ideeën. Ze ontwerpt al gebouwen sinds 1978. Dat ze in de begintijd als vrouw vaak moest opboksen tegen vooroordelen, deerde haar niet. "Zolang je doet wat je leuk vindt en weet wat je wilt, kun je een eind komen." En gelukkig is er veel veranderd in de wereld, ook in die van constructeurs.

Curriculum vitae

ing. Carla Mulder
65 jaar

Werk
1978 – 1993     Raadgevend Ingenieursbureau Nederland
1993 – heden   Royal Haskoning / Corsmit / Royal HaskoningDHV

Opleiding
1974 – 1978     HTS Bouwkunde
1978 – 1979     HTI Beton
1979 – 1980     HTI Staal
1980 – 1981     Betonconstructeur BV

Als ‘C. Mulder’ ondertekent ze haar eerste sollicitatiebrief, niet als Carla Mulder of als mevr. C. Mulder. Zo wil ze voorkomen dat haar vrouw zijn invloed heeft op de sollicitatie. Als ze zich, na een uitnodiging voor een eerste gesprek, meldt bij de receptie, is de verwarring groot. “Wij hebben geen afspraak met mevrouw Mulder”. Pas als ze uitlegt dat ze voor een sollicitatie komt en ze de brieven erbij halen, valt het kwartje.

Het is slechts een van de voorbeelden waaruit blijkt dat ze als vrouwelijke constructeur destijds, het is 1978, een grote uitzondering is. Op de HTS Bouwkunde in Amsterdam is er in haar jaar slechts één vrouwelijk medestudent, en die houdt het nota bene na twee maanden voor gezien. Ook bij haar eerste werkgever, Raadgevend Ingenieursbureau Nederland in Weesp, is ze de enige vrouwelijke constructeur. Het zit haar carrière geenszins in de weg. Na een aantal jaren brengt ze het tot afdelingshoofd.

Die man kon wel door de grond zakken

Hoe was het voor jou als vrouw in een mannenwereld?

“Het leverde vaak hilarische situaties op, daar kan ik een boek over vol schrijven. Ik herinner me nog dat ik op een afspraak werd ontvangen met de woorden: ‘Ik dacht dat er iemand kwam die er verstand van had.’ Waarop ik zei: ‘Dat had u goed gedacht’. Die man kon wel door de grond zakken. Later vertelde hij me nog hoe ontzettend rot hij zich toen voelde. Of de reactie nadat ik een kennelijk wat ongebruikelijk tegenvoorstel deed in een bouwvergadering. ‘Mevrouwtje, dat doen we al jaren zo’. Na een uiteenzetting van mij over het voortschrijden van de techniek, was het uiteindelijk de opdrachtgever die als eerste overtuigd was. Of dat ik in een bouwkeet voor schoonmaakster werd aangezien. En dat ik dat ene hoekje wat beter moest schoonmaken. Mijn collega, met wie ik samen was, deed het in de broek van het lachen!”

Je kwam nog wel eens op de bouwplaats. Hoe werd je daar ontvangen?

“Ik werd heus wel eens nagefloten, maar dat was in die tijd nog niet zo’n taboe. Je moet je voorstellen dat toen de bouwketen nog volhingen met kalenders met naakte vrouwen. Opmerkingen probeerde ik altijd voor te zijn, door als eerste het woord te nemen: ‘Goedemorgen heren!’. Bouwvakkers zijn een ruw volk maar haast nooit onbeschoft. Ik vond het allemaal niet zo’n probleem en kon er goed mee omgaan. Misschien was het wel een voordeel dat ik uit Amsterdam kwam en dus behoorlijk assertief was.

We leven nu in een heel andere tijd, het is totaal geen issue meer. Er zijn in de loop van de jaren de nodige initiatieven geweest zoals Topvrouwen Bouw & Infra. Het nut daarvan zag ik in het begin overigens nooit zo in. Ik vind dat je voor jezelf moet bepalen wat je leuk vindt en vooral de dingen moet doen waar je lol in hebt. Ook het glazen plafond heb ik nooit ervaren. Het is wel belangrijk dat je je ambities kenbaar maakt en zelfverzekerd bent, en daar ontbreekt het bij veel vrouwen aan. Je moet niet gaan zitten afwachten. Zo heb ik zelf op een gegeven moment aangegeven dat ik het tijd vond worden om zelfstandig grotere projecten te doen.”

Na je eerste baan in Weesp ben je in 1993 bij Royal Haskoning begonnen. Hoe kwam je daar terecht?

“Ze hebben me gevraagd. Royal Haskoning had er in de crisisjaren, begin jaren 80, veel mensen uitgezet. Toen de markt weer aantrok, zagen ze dat er een gat was ontstaan in het personeelsbestand, met name tussen de jonge mensen en de senioren. Ze zochten daarom mensen om dat hiaat op te vullen. Ik paste precies in dat plaatje. Voor mij was het een mooie kans om aan de slag te gaan met grotere en complexere projecten.”

Wat waren de grootste verschillen de met je vorige werk?

“Om te beginnen de locatie. Ik kwam uit Amsterdam en mijn nieuwe baan was in Nijmegen. Haskoning was ook wel actief in Amsterdam, maar had er geen constructieafdeling. Ik ben toen verhuisd naar Wageningen. Veel mensen wilden dat eerst niet geloven, van mij als echte Amsterdamse. Waar ik aan moest wennen was de 9-tot-5-mentaliteit, waar toen nog sprake van was – inmiddels gelukkig al lang niet meer. Ik was een flexibele cultuur gewend waarbij het er vooral om ging dat het werk op tijd af kwam, maakt niet uit hoe. Als we een keer een middagje met collega’s wilde gaan varen, was dat geen probleem. Dan werkte je de avond ervoor gewoon wat langer door. Ik herinner me nog dat ik een collega heb moeten overhalen om naar het afzwemmen van zijn zoontje te gaan, terwijl we twee dagen later een deadline hadden. Nu lachen we om dit soort dingen.”

Toch ben je uiteindelijk weer teruggegaan naar Amsterdam. Je verlangde terug naar je wortels?

“Niet per sé. Mijn standplaats verhuisde inderdaad naar Amsterdam, daar werd een constructieafdeling opgezet. Thuis zei ik: ‘Ik heb een verassing, ik ga weer naar Amsterdam!’ Waarop mijn partner direct teruggaf:  ‘Echt niet dat we weer gaan verhuizen.’ Ik woon dan ook nog steeds in Wageningen en Amsterdam is nog steeds mijn standplaats. Voor wat het waard is, want in principe werken bij ons vele constructeurs over alle vestigingen heen.”

De afdeling in Amsterdam groeide in mum van tijd van 4 naar 16 man. Het was een goede tijd. In 2007 lijfde Royal Haskoning Corsmit in, destijds een grote naam in de utiliteitsbouw. Om die goede reputatie te benutten heeft de constructieafdeling voor de gebouwen van heel Royal Haskoning nog een tijd onder de naam Cormsit geopereerd, tot 2013. Dus kort nadat Royal Haskoning fuseerde met DHV.

Denken jullie nou echt dat dat beton dat weet?!

Je houdt je vooral bezig met gebouwen. Heb je nooit de intentie gehad uit te wijken naar infra?

“Aanvankelijk waren infra en gebouwen bij ons ondergebracht in één afdeling – dat is pas later veranderd. Ik heb zelf gewerkt voor de Noord-Zuidlijn en de HSL. Indrukwekkende projecten, maar ik kwam erachter dat dat toch niet mijn ding was. Typerend vond ik een weken durende academische discussie over een veiligheidsfactor. Of die 1,22 of 1,23 moest zijn in verband met de referentieperiode van 100 jaar. Dat heeft me enorm verbaasd: ‘Kom op, denken jullie nou echt dat dat beton dat weet?!’ Wat dat betreft kom ik duidelijk uit de HBO-hoek. Ik ben behoorlijk praktisch ingesteld.”

Volgens mij ben ik nog steeds de enige vrouwelijke RO

Hoe heb je je verder ontwikkeld in je werk?

“Ik ben vooral van de projecten. In het begin heb ik nog wel leiding gegeven, maar het ontwerpen van gebouwen vind ik verreweg het leukst, gecombineerd met het coachen van junioren. We leren als RI’s van elkaar. We hebben regelmatig een overleg samen, waar ik overigens voorzitter van ben. Daar komen heel praktische zaken aan bod. Zo hebben we de volgende keer een punt op de agenda staan over de keuze tussen een fundering op staal, op palen of een grondinjectie. Ik ben ook Registerontwerper. Bij ons is de policy dat alle RI’s RO worden. Volgens mij ben ik nog steeds de enige vrouwelijke RO!

Sinds een paar jaar ben ik ook technical coördinator. Voor heel structural design binnen Royal HaskoningDHV zie ik er erop toe dat we meegaan met de technische ontwikkelingen. En ik zorg voor de kennisoverdracht. Ik vind dat enorm belangrijk. Het mag niet zo zijn dat als iemand vandaag een probleem oplost, dat iemand anders zich daar een paar maanden later ook tegenaan loopt. Daarom organiseren we regelmatig bijeenkomsten met alle constructeurs. Niet dat we daarmee alles ondervangen, laten we eerlijk zijn. Maar het is heel waardevol, zeker voor jonge mensen. Die denken aan een hele hoop dingen niet. Dat is niet erg, daarom moeten ze het leren.”

Wat zijn de belangrijke ontwikkelingen die daarbij aan bod komen?

“Een belangrijk punt is dat we een standaard manier van werken nastreven, we noemen dat one way of working. Zo hebben we afgesproken dat we in principe alle projecten in VO-stadium parametrisch  ontwerpen in Grasshopper. Zo’n parametrisch aanpak vraagt in het begin wel wat extra tijd, maar het gaat steeds sneller. En voor sommige projecten is het uiteindelijke voordeel groot. Ik ben nu met een atriumkap bezig, ideaal om in een parametrisch model te zetten. Het stadion van Feyenoord of de kap van het AZ-stadion zijn ook goede voorbeelden. Het model helpt hier al heel vroeg in het proces de juiste keuzes te maken.

We zijn nu bezig met een standaard parametrisch model voor ziekenhuizen. Natuurlijk is zo’n model niet alles omvattend. Bij het opzetten ervan moet je goed nadenken wat je wel en niet meeneemt. Zo gaan we uit van slechts twee typen vloeren, een vlakke plaatvloer en een strokenvloer. Geen kanaalplaten want die passen we om verschillen redenen toch niet toe in ziekenhuizen. Maar schachtafmetingen of kolomafstanden zijn wel weer vrije keuzes. Op die manier kun je heel veel alternatieven doorrekenen en de opdrachtgever meenemen in het keuzeproces.

Ook over teken- en rekenwerk hebben we goede afspraken gemaakt. Zo zetten we in principe alles in de DO-fase om naar Revit. We steken nu heel veel energie in de koppelingen tussen diverse softwarepakketten (o.a. Revit en SCIA Engineer). Alle tools die voorheen nog naast elkaar bestonden, onder meer in Excel, zetten we om naar Pyton en koppelen we aan andere software. Dat is momenteel enorm in ontwikkeling.”

Wat is jouw rol daarbij?

“Ik ben vooral een aanjager, zelf schrijf ik geen scripts. Dat laat ik aan anderen over. Wel zit ik er in mijn eigen projecten bovenop. Soms letterlijk. Dan ga ik naast een constructeur zitten om te kijken of een model klopt en of de globale krachtwerking juist is. Zo niet, dan draaien we aan bepaalde knoppen, net zo lang tot het goed is. Daarin probeer ik zo’n constructeur mee te nemen, zodat die zelf ook inzicht krijgt. Want dat is mijn grote angst, dat jonge mensen inzicht missen. Mensen van mijn generatie hebben dat opgebouwd, onder meer door eindeloos zelf te rekenen. Ik zeg zeker niet dat we daar naar terug moeten, maar we moeten wel aandacht hebben voor de vraag hoe we dat inzicht kunnen kweken. Nog een issue is dat we minder op de bouwplaats komen en dus veel minder gevoel hebben bij wat maakbaar is en wat niet. Ik zie soms wapeningstekeningen die echt nauwelijks uitvoerbaar zijn. Uit de tijd dat ik nog vaker op de bouw kwam, stamt ook mijn uitgangspunt dat wapening nooit verder dan 15 cm uit elkaar mag liggen. Maatje 37!”

Wapening mag nooit verder dan 15 cm uit elkaar liggen. Maatje 37!

Aan welke van jouw projecten bewaar jij de beste herinneringen?

“Een recent werk dat eruit springt is West Beat, een multifunctioneel gebouw in Amsterdam Nieuw-West (foto 4). Een bijzonder project, onder meer door diverse grote bogen. Wat het constructief bijzonder maakte, was de manier waarop we met de parkeerkelder zijn omgegaan. Met één parkeerlaag konden we net niet genoeg parkeerplekken kwijt. Een extra hele laag of halve laag zou een te grote investering vragen. Ons plan was een aantal kolommen in de parkeerkelder te schrappen en erop voor te sorteren dat auto’s over een aantal jaren zelf inparkeren, waardoor ze dichter bij elkaar staan en er dus meer plek is. Met dit idee, in combinatie met de daarvoor 16 m overspannende bogen, hebben we de tender uiteindelijke gewonnen. Maar er waren meer dingen interessant aan het project. De bouwfasering bijvoorbeeld en vooral de invloed ervan op de krachtswerking. We hebben een uitgekiend stappenplan opgesteld voor de ontkisting en onderstempeling. Verder is het gewoon een heel mooi gebouw. Vooraf was het doel een wow-effect te creëren, en dat is goed gelukt. We gaan het zeker indienen voor de Betonprijs. Compliment trouwens ook voor de aannemer en architect (Heddes Bouw & Ontwikkeling en Studioninedots, red.).

Een mooi voorbeeld is verder de A’DAM Toren en dan vooral de opbouw (foto 5). Om de belasting naar de kern te leiden heb ik, naast enkele eenvoudigere varianten, een voorstel gedaan voor vierendeelliggers. Prachtige oplossing maar wel heel duur. Toch waren opdrachtgever en architect heel enthousiast. Dat maak je niet vaak mee, dat een opdrachtgever zo veel geld over heeft voor bijzondere constructieve oplossingen.

Ik noem graag ook de renovatie van de Vierde Ambachtsschool in Amsterdam (foto 6). Boven het centrale plein, waar eerst een gymzaal stond, moest een nieuw atrium komen. Er waren door de architect wel zes varianten bedacht, maar om de belasting uit de overkapping op te vangen, moesten er kolommen vóór of achter de monumentale gevels komen. Allemaal behoorlijk ingewikkeld, duur en ingrijpend voor het uiterlijk. Toen heb ik voorgesteld om in het atrium zes bijzonder vormgegeven kolommen te plaatsen. Het bleek mogelijk om die kolommen 96% van de belasting op te laten nemen. Hierdoor kon de rest van de constructie nagenoeg volledig in tact en in het zicht blijven. Aardig om te zeggen is dat we daar heel circulair hebben ontworpen, toen dat nog nauwelijks bestond. Voor de stalen balken uit de oude gymzaal heb ik een herbestemming gezocht in het nieuwe plan.”

Die twee laatste projecten die je noemt zijn herbestemmingsprojecten. Wat bevalt je daar zo aan?

“Het is echt een andere tak van sport. In nieuwbouw is in feite alles mogelijk, maar bij bestaande bouw heb je met veel meer beperkingen te maken. Je moet oplossingen bedenken die uitvoerbaar zijn binnen die beperkingen. Hoe krijg je spullen binnen bijvoorbeeld? Dat leidt tot soms hele complexe puzzels en dat spreekt me heel erg aan. Ik heb altijd al veel herbestemmingen gedaan, ook bij mijn vorige werkgever. In de loop der tijd heb ik er behoorlijk wat ervaring in opgedaan. Voordeel is dat ik nog heb gewerkt met normen van vóór de VB ’74. Daarom weet ik goed hoe oude berekeningen zijn te herleiden. Binnen Royal HaskoningDHV ben ik nu zelfs een soort vraagbaak op dat gebied.

Normen spelen natuurlijk sowieso een bijzondere rol bij herbestemmingen. Wat dat betreft is het goed dat we nu de NEN 8700 hebben. Maar niet die normen, maar het gezond verstand vind ik het allerbelangrijkst. Je moet vertrouwen hebben dat iets goed gaat, ook al ontbreekt er vaak veel informatie.”

Hoe heb jij terugkijkend op ruim 40 jaar constructeursvak het vak zien veranderen?

“We kunnen nu veel sneller en makkelijker 3D-rekenen, waardoor we constructies kunnen ontwerpen die vroeger niet mogelijk waren geweest. Dat geldt ook voor West Beat. Door 3D te rekenen hebben we veel meer uit de constructie kunnen halen. Vroeger moest dat met verschillende 2D-berekeningen en moest je het 3D-effect bepalen door te variëren met verende ondersteuningen. Ik heb ook tent- of blobconstructies gedaan die nu veel eenvoudiger te ontwerpen zijn.

De mogelijkheden om beter en efficiënter te modelleren gaan heel snel. Je ziet dat constructeurs en modelleurs naar elkaar toe groeien. Overigens beseft nog niet iedereen dat. Laatst kreeg ik een heel boekwerk van een opdrachtgever met voorwaarden waar AutoCad-tekeningen aan moesten voldoen. ‘Harstikke mooi boek’, zei ik, ‘maar leg het maar in je la.’

Wat ook verandert zijn ontwerpcriteria. Sinds kort houden we bijvoorbeeld rekening met circulariteit. Dat probeer ik altijd aan te kaarten bij een opdrachtgever. Dan vraag ik wat de ambities zijn. Soms hebben ze er nog helemaal niet over nagedacht. En soms blijkt de ambitie er ook niet te zijn, omdat het te duur is. Dat het nu nog vaak extra geld kost gaat wel veranderen. Dat is een goede ontwikkeling. Maar het gaat niet erg snel. Ik geloof niet dat wij over vijf jaar al alles circulair ontwerpen.

Wat ik in ons vak belangrijk vind is dat we vroeg aan tafel zitten, maar dat gold eigenlijk altijd al. Ik zeg altijd dat we in de SO- en VO-fase het meeste geld voor de opdrachtgever kunnen verdienen. Dat is ook wat het vak zo mooi maakt. Dat je dingen van nul af aan kunt ontwerpen. Voor mij doe ik dat het liefst met een beetje complexe werken, waarbij je flink moet puzzelen om het mogelijk te maken. Vol bewondering heb ik gekeken naar het Mercedes-Benz Stadium in Atlanta. Met een schuifbaar dak dat uit verschillende segmenten is opgebouwd. En als je het dichtvouwt komt daar het Mercedes-Benz-logo tevoorschijn. Zo’n gebouw zou ik nog wel eens willen ontwerpen!”

Reacties

x Met het invullen van dit formulier geef je Cement en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord
Renda ©2021. All rights reserved.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren