Om scheurwijdte te beperken en brosse breuk te voorkomen, is een minimale hoeveelheid wapening vereist. Dit artikel gaat in op de eisen voor deze minimumwapening volgens Eurocode 2. Het is de negende aflevering in de serie met rekenvoorbeelden, waarin de diverse onderdelen van de Eurocode 2 worden toegelicht. GerectificeerdIn december 2012 is dit artikel aangepast, omdat een storende fout is geconstateerd. In NEN-EN 1992-2 is vastgelegd dat het lijf van een doorsnede reikt van de ondervezel tot de bovenvezel van de doorsnede. In het betreffende rekenvoorbeeld betekent dit dat de beide lijven de bovenflens doorsnijden en in drie stukken delen. Tevens zijn de lijven dan de verticale begrenzing van de onderflens. In de eerste uitwerking was echter verondersteld dat de lijven reiken van de ondervezel van de bovenflens tot de bovenvezel van onderflens. Dit is nu gecorrigeerd.
Minimumwapening8 200984
Minimum-
wapening
Om scheurwijdte te beperken en brosse breuk te voorkomen, is een mini-
male hoeveelheid wapening nodig. Dit artikel gaat in op de eisen voor
deze minimumwapening volgens Eurocode 2. Het is de negende aflevering
in de serie met rekenvoorbeelden, waarin de diverse onderdelen van de
Eurocode 2 worden toegelicht
1
).
Rekenvoorbeelden bij Eurocode 2 (9)
afstand (tabel 7.3N) een scheurwijdtetoets kan worden uitge-
voerd. Bij scheurvorming in hoofdzaak veroorzaakt door belem-
merde vervorming moet tabel 7.2N worden toegepast. Het is dus
mogelijk uit deze tabel (op basis van een toegestane maximale
scheurwijdte en een verwachte staafdiameter) een toelaatbare
staalspanning af te leiden.
Rekenvoorbeeld (EC2, par. 7.3.2)
Een voorbeeld wordt behandeld waarin de minimumwapening
wordt berekend van een kokerligger belast op zuivere buiging
of op buiging en normaaldruk.
Bereken de minimumwapening vereist in de ligger met koker-
vormige dwarsdoorsnede (fig. 1).
Uitgangspunten
Geometrie:
totale hoogte doorsnede: h = 1800 mm
oppervlakte van de betondoorsnede: A
c
= 1,825 ? 10
6
mm
2
afstand van het zwaartepunt van de doorsnede tot de bovenste
vezel: y
G
= 809 mm
afstand van het zwaartepunt van de doorsnede tot de bovenste
vezel van de onderflens:
a = 1500 ? y
G
= 691 mm
traagheidsmoment doorsnede: I
c
= 71,8?10
10
mm
4
In NEN-EN 1992-1-1 wordt in 7.3.2 vermeld dat een minimale
hoeveelheid hechtende wapening vereist is om de scheurwijdte
te beheersen in gebieden waar trekspanningen te verwachten
zijn. De bijbehorende toetsingsregel (vgl. (7.1)) is anders dan
die opgenomen in 9.2.1.1 (vgl. (9.1N)) waar de minimum-
wapeningsdoorsnede voor balken is gegeven.
Toepassingsregel 9.2.1.1 geeft de minimumwapening benodigd
om, bij een opgelegde belasting die leidt tot zuivere buiging, bros
bezwijken van de doorsnede te voorkomen. Toepassingsregel
7.3.2 heeft een verder strekkende toepassing en geeft aan hoeveel
wapening benodigd is om te kunnen spreken van scheurwijdte-
beheersing. De toepassingsregel heeft betrekking op alle gebieden
waar trekspanningen te verwachten zijn. Deze kunnen ook zijn
veroorzaakt door (gedeeltelijk) verhinderde opgelegde vervor-
mingen. In de toepassingsregel wordt een maximaal toelaatbare
staalspanning geïntroduceerd. Voor het vaststellen van de grootte
ervan wordt verwezen naar 7.3.3 (2), waarin door middel van
tabellen voor de toelaatbare staafdiameter (tabel 7.2N) en staaf-
Minimumwapening 8 2009 85
weerstandsmoment onderkant doorsnede: W
c, onder
= 7,25?10
8
mm
3
kernstraal: i = (I
c
/A
c
)
0,5
= 627 mm
Betonsterkteklasse C45/55.
Maximaal toelaatbare spanning in de wapening onmiddellijk
na het ontstaan van een scheur: ?
s
= 200 N/mm
2
.
(De maximaal toelaatbare spanning in de wapening onmiddel-
lijk na het ontstaan van een scheur wordt in dit rekenvoorbeeld
beperkt tot 200 N/mm
2
. Deze waarde is ontleend aan EC2 tabel
7.2N uitgaande van een maximale scheurwijdte w
max
= 0,2 mm
en een verwachte staafdiameter Ø = 16 mm.)
Bereken de minimumwapening voor twee situaties:
1 De doorsnede wordt alleen belast door het scheurmoment
M
cr
(trek aan de onderkant van de doorsnede)
2 De doorsnede wordt belast door een normaaldrukkracht N =
-6000 kN aangrijpend in het punt P (gelegen 250 mm boven
de onderkant van de doorsnede; excentriciteit e
N
(fig. 1)) in
combinatie met een moment dat scheurvorming veroorzaakt.
De diktes van lijven (0,30 m) en flenzen (0,25 m en 0,30 m) zijn
kleiner dan of gelijk aan 0,30 m. Niet-gelijkmatige eigenspan-
ningen die zorgen voor een reductie van de krachten veroor-
zaakt door verhinderde vervormingen, zijn dus niet van
toepassing: k = 1,0 (EC2; 7.3.2(2)).
Situatie 1
Als alleen het scheurmoment op de doorsnede wordt aange-
bracht, wordt het gedeelte van de doorsnede gelegen onder
punt G aan trekspanningen onderworpen. In de berekening
wordt de minimumwapening voor de diverse onderdelen apart
berekend; eerst voor de lijven, daarna voor de onderflens.
Lijf
Afmetingen:
hoogte lijf = 1800 mm
breedte lijf = 300 mm
Bereken eerst de gemiddelde spanning in het beschouwde deel
van de doorsnede, ?
c
(EC2; vgl. (7.4)). Gebruik wordt gemaakt
van figuur 2 die het verloop van de betonspanningen over de
hoogte van de doorsnede weergeeft. In de uiterste trekvezel
wordt de treksterkte op het tijdstip waarop scheuren worden
verwacht, bereikt: f
ct,eff
. Als uitgangspunt wordt gekozen:
f
ct,eff
= f
ctm
met f
ctm
= 3,8 N/mm
2
voor C45/55 (EC2; tabel 3.1)).
Omdat het spanningsverloop lineair is en het lijf een constante
breedte heeft, volgt ?
c
eenvoudig uit de spanningen aan de
onder- en bovenkant van het lijf:
onderkant lijf:
?
onder
= f
ct,eff
bovenkant lijf:
?
boven
= ?
(
1500 ? a
_______
a + 300
) f
ct,eff
De spanning ?
c
is:
?
c
=
1
__
2
( ?
onder
+ ?
boven
)
Bij zuivere buiging is voor lijven van kokervormige doorsneden
(EC2; vgl. (7.2)):
k
c
= 0,4
[
1 ?
?
c
________
k
1
h
__
h
*
f
ct,eff
]
? 1
Omdat ?
onder
> |?
boven
| is het beschouwde lijf onderworpen aan
een resulterende trekkracht. Dan geldt voor de coëfficiënt die
de effecten van normaalkrachten op de spanningsverdeling in
rekening brengt:
k
1
=
2 h
*
___
3h
Dan is:
k
c
= 0,4
[
1 ?
?
c
_____
2
__
3
f
ct,eff
]
? 1
1 Dwarsdoorsnede van de kokerligger.
2 Betonspanningen over de hoogte van de
ligger (zuivere buiging).
1
) De artikelenserie is vertaald en bewerkt door dr.ir.drs. René Braam (TU Delft, fac.
CiTG / Adviesbureau ir. J.G. Hageman BV) en afgestemd met Voorschriftencom-
missie 20.
Afkortingen
EC2 = NEN-EN 1992-1-1
NB = Nationale Bijlage
2500
O
y
y
G
e
N
a
x
G
P
1800 1250 250300
250
1500
900300 300
2500
O
y
y
G a
x
G
1800 1250 250300
1500
900300 300
-
+
lijf
f
ct,e?
1
2
Minimumwapening8 200986
onderkant flens:
?
boven
= f
ct,eff
De trekkracht binnen de flens is:
F
ct
=
1
__
2
( f
ct,eff
+
a
_______
a + 300
f
ct,eff
) b
flens
h
flens
= (
a + 150
_______
a + 300
) f
ct,eff
A
ct
Dan is:
k
c
= 0,9 ?
(
a + 150
_______
a + 300
) = 0,76
De minimumwapening is (EC2; vgl. (7.1)):
A
s,min
=
k
c
k f
ct,eff
A
ct
________
?
s
=
0,76 ? 1,0 ? 3,8 ? 900 ? 300
_____________________
200
= 3899 mm
2
Deze hoeveelheid betonstaal moet gelijkmatig worden verdeeld over
de flensbreedte, bijvoorbeeld 20Ø16 = 4021 mm
2
(fig. 3).
Situatie 2
Een uitwendige normaaldrukkracht N = -6000 kN grijpt aan in punt
P, gelegen 250 mm boven de onderkant van de onderflens (fig. 1).
De excentriciteit ten opzichte van de zwaartelijn van de doorsnede is
e
N
= 1800 ? y
G
? 250 = 741 mm. Het scheurmoment is:
M
cr
=
[
?
N
___
A
c
( 1 + e
N
A
c
______
W
c,onder
)
+ f
ct,eff
]
M
cr
=
[
?
6000 ? 10
3
_________
1,825 ? 10
6
(
1 + 741 ?
1,825 ? 10
6
_________
7,25 ? 10
8
)
+ 3,8 ]
?7,25 ? 10
6
= 9585 ? 10
6
Nmm
De combinatie van de uitwendige normaalkracht N en het scheur-
moment M
cr
komt overeen met het belasten van de doorsnede door
een normaalkracht N die aangrijpt op een afstand e boven de zwaar-
telijn van de doorsnede gelegen:
In deze uitdrukking voor k
c
is ?
c
positief als sprake is van een
drukkracht. Omdat in dit rekenvoorbeeld sprake is van een
resulterende trekkracht wordt een min-teken toegevoegd.
Aldus is:
k
c
= 0,4
[
1 ?
?( ?
onder
+ ?
boven
)
_____________
4
__
3
f
ct,eff
]
? 1
k
c
= 0,4
[ 1 +
3
__
4
(2a ? 1200)
__________
(a + 300)
]
? 1
Voor a = 691 mm is k
c
= 0,46.
De oppervlakte van het beton binnen de trekzone, ofwel het
deel van het lijf dat juist vóór het ontstaan van de eerste scheur
onder trek staat, is:
A
ct
= 300 ? (a + 300)
De minimumwapening is (EC2; vgl. (7.1)):
A
s,min
=
k
c
k f
ct,eff
A
ct
________
?
s
=
0,46 ? 1,0 ? 3,8 ? 300 ? 991
____________________
200
= 2598 mm
2
Deze hoeveelheid wapening moet worden aangebracht in het
gedeelte van het lijf waarin scheurvorming optreedt. De wape-
ning moet voornamelijk worden aangebracht nabij de meest
getrokken vezel. Echter, voldoende wapening moet in de rest
van het lijf aanwezig zijn om daar de scheurwijdte te beheersen.
In het gescheurde stadium is de drukzonehoogte x = 346 mm.
Dan is h ? x = 1800 ? 346 = 1454 mm. Volgens CEB-bulletin
158-E moet bij een vereiste w
k
= 0,2 mm wapening worden
aangebracht over een hoogte van 800 mm, gemeten vanaf de
ondervezel. Gekozen kan worden voor 6Ø16 in de onderste
300 mm van het lijf (de onderflensdikte); 5Ø16 h.o.h. 100 mm
ter weerszijden van het lijf over 500 mm boven de bovenvezel
van de onderflens.
Onderflens
Voor de onderflens (breedte 900 mm, hoogte 300 mm) is
(EC2; vgl. (7.3)):
k
c
= 0,9
F
ct
______
A
cr
f
ct,eff
? 0,5
De trekkracht F
ct
binnen de flens onmiddellijk voor het scheu-
ren ten gevolge van het scheurmoment wordt berekend met de
gemiddelde trekspanning in de flens (fig. 2):
bovenkant flens:
?
boven
=
a
_______
a + 300
f
ct,eff
691
500
(5+5) ø16 (5+5) ø16
6 ø16
20 ø16
2500
O
y
y
G a
x
G
1800 1250
233
lijf
250300
1500
900300 300
-
+
e
N
P
250
f
ct,e?
3
4
Minimumwapening 8 2009 87
3 Situatie 1 (alleen buigend moment): Minimumwapening
in lijven en onderflens
4 Betonspanningen over de hoogte van de ligger (normaal-
drukkracht en buiging)
5 Situatie 2 (normaaldrukkracht en buigend moment):
Minimumwapening in lijven en onderflens
De spanning ?
c
is positief als sprake is van een drukkracht. In
de hier beschouwde situatie 2 is hiervan sprake. Dan is:
k
c
= 0,4
[
1 ?
0,69 ? 3,8
___________
1,5 ? 1,8 ? 3,8
]
= 0,30 ? 1
De oppervlakte van het beton binnen de trekzone juist vóór het
ontstaan van de eerste scheur is:
A
ct
= 300 ? (233 + 300) mm
2
De minimumwapening is (EC2; vgl. (7.1)):
A
s,min
=
k
c
k f
ct,eff
A
ct
________
?
s
=
0,30 ? 1,0 ? 3,8 ? 300 ? 533
____________________
200
= 911 mm
2
Een mogelijke wapening is 5Ø16 = 1005 mm
2
(fig. 5).
In het gescheurde stadium is x = 745 mm. Bij h ? x = 1800 ? 745
= 1055 mm volgt met CEB-bulletin 158-E bij w
k
= 0,2 mm dat
wapening vereist is tot 300 mm vanaf de ondervezel. Dat is over
een afstand die gelijk is aan de flensdikte.
Onderflens
Voor de onderflens (breedte 900 mm, hoogte 300 mm) is
(EC2; vgl. (7.3)):
k
c
= 0,9
F
ct
______
A
ct
f
ct,eff
? 0,5
De trekkracht F
ct
wordt berekend met de gemiddelde trekspan-
ning in de flens (fig. 4):
bovenkant flens:
?
boven
=
233
_________
233 + 300
f
ct,eff
onderkant flens:
?
boven
= f
ct,eff
De trekkracht binnen de flens is:
F
ct
=
1
__
2
( f
ct,eff
+
233
_________
233 + 300
f
ct,eff
) b
flens
h
flens
= 0,72 f
ct,eff
A
ct
Dan is:
k
c
= 0,9 ? 0,72 = 0,65
De minimumwapening is (EC2; vgl. (7.1)):
A
s,min
=
k
c
k f
ct,eff
A
ct
________
?
s
=
0,65 ? 1,0 ? 3,8 ? 900 ? 300
_____________________
200
= 3335 mm
2
Deze wapening, bijvoorbeeld 18Ø16 = 3619 mm
2
(fig. 5), moet
gelijkmatig verdeeld over de flensbreedte worden aangebracht.
?
e =
M
cr
___
N
? e
N
=
9585 ? 10
6
________
6000 ? 10
3
? 741 = 1598 ? 741 = 857 mm
De doorsnede is spanningsloos op een afstand y van de zwaarte-
lijn:
N
___
A
c
+
( M
cr
+ N e
N
)y
___________
I
c
=
?6000 ? 10
3
_________
1,825 ? 10
6
+
(9585 ? 6 ? 741) ? 1 0
6
y
__________________
71,82 ? 10
10
= 0
y = 458 mm
Dit betekent dat de lijven over een hoogte a + 300 ? y = 691 +
300 ? 458 = 533 mm aan trekspanningen zijn onderworpen.
Het lineaire spanningsverloop over de hoogte van de door-
snede is weergegeven in figuur 4.
Ook nu wordt de minimumwapening voor de diverse onderdelen
apart berekend; eerst voor de lijven, daarna voor de onderflens.
Lijf
De totale hoogte van de doorsnede is h = 1800 mm. Omdat h >
1,0 m is dan h* = 1,0 m en is h / h* = 1,8.
De gemiddelde spanning in het beschouwde deel van de door-
snede, ?
c
(EC2; vgl. (7.4)) volgt uit figuur 4:
onderkant lijf:
?
onder
= f
ct,eff
bovenkant lijf:
?
boven
= ?
(
1800 ? 533
_________
533
)
f
ct,eff
= ?2,38 f
ct,eff
De spanning ?
c
is:
?
c
=
1
__
2
( ?
onder
+ ?
boven
) = ?0,69 f
ct,eff
Bij buiging gecombineerd met normaalkracht is voor lijven van
kokervormige doorsneden (EC2; vgl. (7.2)):
k
c
= 0,4
[
1 ?
?
c
________
k
1
h
__
h
*
f
ct,eff
]
? 1
Omdat ?
c
< 0 is het lijf onderworpen aan een resulterende
drukkracht. Dan is de coëfficiënt die de effecten van normaal-
krachten op de spanningsverdeling in rekening brengt k
1
= 1,5.
231
5 ø16
5 ø16
18 ø16
5
Reacties