Levensduur beton2 2 01176
Levensduur beton
Tegenwoordig kunnen betonconstructies in chloridehoudend milieu worden ontworpen op
levensduur. De vereiste prestatie van het beton kan proefondervindelijk worden bepaald. Op
basis van eerdere ervaringen is de methode DuraCrete zodanig aangepast dat een levensduur-
ontwerp nu kan worden gemaakt op drie niveaus: met behulp van ontwerptabellen, semi-proba-
bilistisch en (volledig) probabilistisch. Ook kwaliteitscontrole tijdens de productie is mogelijk.
Dit artikel gaat in vogelvlucht in op de achtergronden van CUR Leidraad 1.
Materiaalonderzoek in beweging (4)
geleden is hiervoor een kwantitatieve methode ontwikkeld in
het Europese onderzoeksproject DuraCrete [1]. In de eerste
jaren daarna is de methode met succes toegepast op onder
meer de hogesnelheidslijn. Het gebruik was echter dermate
ingewikkeld dat er behoefte ontstond aan een vereenvoudigde
methodiek. CUR voorschriftencommissie VC81 is in 2003
hieraan begonnen, wat in 2009 leidde tot publicatie van CUR
Leidraad 1 [2]. Dit artikel gaat in vogelvlucht in op de achter-
gronden en de verschillende varianten. Voor details wordt
verwezen naar de volledige Leidraad.
In dit artikel wordt een methode behandeld waarmee eisen
kunnen worden gesteld aan materiaaleigenschappen met het
oog op toepassing in constructies in agressief milieu. Daarmee
gaat het dus niet om onderzoek naar specifieke (verbeterde)
materiaaleigenschappen maar over de beoordelingssystematiek.
Het belang van een betrouwbare lange levensduur van beton-
constructies wordt al geruime tijd ingezien: onderhoud en
reparaties moeten tot een minimum worden beperkt omdat zij
(veel) geld kosten en het gebruik belemmeren. Ruim tien jaar
76_80 18_Levensduur.indd 76
14-03-2011 14:28:05
Levensduur beton 2 2 011 77
+ ?
Na
+
Cl
?
Na
+
OH
?
1 Schematische opzet van
de Rapid Chloride
Migration (RCM) proef. In
het gele gebied is chloride
ingedrongen
Achtergrond
Al sinds het eerste Bouwbesluit kennen we het begrip prestatie.
In het kader van levensduur gaat het om het beperken van de
gevolgen van veroudering en aantasting op de lange termijn.
Omdat het meest voorkomende aantastingsmechanisme bij
betonconstructies wapeningscorrosie is, en voor civiele
constructies vooral de door chloride-geïnitieerde vorm
daarvan, ligt daarop de nadruk. De eenvoudigste 'levensduur-
prestatie' is de afwezigheid van corrosie-initiatie. De kans op
corrosie-initiatie wordt aanzienlijk als het chloridegehalte bij
de wapening het kritisch chloridegehalte bereikt. Het tijdstip
waarop dat gebeurt, is afhankelijk van belasting (milieu), mate-
riaal (dichtheid voor chloride en oorspronkelijk gehalte) en
dikte (betondekking), en daarom moet dat worden voorspeld
met behulp van een rekenmodel. Modellen voor chloriden-
transport bestaan al decennia; de meeste zijn gebaseerd op
diffusie. Een praktisch bruikbaar model moet voldoen aan
nogal wat eisen: de formule(s) moet(en) fysisch correct of ten
minste empirisch onderbouwd zijn, de input moet duidelijk
omschreven zijn, de belangrijkste invloedsfactoren (materiaal,
milieu) moeten vertegenwoordigd zijn en de uitkomsten
moeten gevalideerd zijn.
Een dergelijk model is ontwikkeld in [1], onder meer gebaseerd
op langeduur-expositieproeven. Belangrijke aspecten zijn een
methode voor het meten van de weerstand tegen chloriden-
transport van een bepaald beton en (waarden voor) coëfficiën-
ten voor nabehandeling, cementsoort, milieu en oppervlakte-
chloridegehalte.
Een fundamenteel verschil met het verleden is dat daarnaast
het betrouwbaarheidsdenken in het levensduurontwerp werd
geïntroduceerd. In het constructief ontwerp kent men al veel
langer het begrip betrouwbaarheid: men ontwerpt op een uiter-
ste grenstoestand (bezwijken) met een faalkans van circa 0,01%
(betrouwbaarheidsindex 3,6). In DuraCrete werd gesteld dat
corrosie-initiatie qua ernst en gevolgen niet overeenkomt met
bezwijken; het is een vorm van waarschuwen dat op enige
termijn actie nodig is, enigszins vergelijkbaar met een bruik-
baarheidsgrenstoestand. Daarom mag de faalkans groter zijn
dan voor bezwijken, bijvoorbeeld 1 tot 10%. Dit maakt nodig
dat de levensduur probabilistisch wordt berekend. Een 'gewone',
dat wil zeggen deterministische, berekening leidt tot een kans
van 50% op de gebeurtenis (hier corrosie-initiatie). Een kans
van 50% op corrosie-initiatie zou ertoe leiden dat binnen de
levensduur op grote schaal reparaties nodig zijn (en op enige
schaal ook al ruim daarvoor); dat is niet acceptabel! Een proba-
bilistische berekening neemt de onzekerheden (in materiaal,
model, afmeting, belasting enz.) zo goed mogelijk mee.
Deze benadering is een breuk met het verleden: sinds midden
jaren 80 is duurzaamheid geregeld via een receptbenadering
('deem-to-satisfy' regels): een maximum water-cementfactor
(wcf) en een minimum cementgehalte (plus een minimumdek-
king), afhankelijk van de milieuklasse. De levensduur is hierbij
niet gekwantificeerd en alternatieven (nieuwe materialen)
kunnen niet goed worden vergeleken. Belangrijk is ook dat
geen onderscheid wordt gemaakt tussen cementsoorten en dat
economische optimalisatie niet mogelijk is. In een tijd dat de
opdrachtgever ontwerp en materialen bepaalde, voldeed dit.
Met het terugtreden van de overheid en het stellen van presta-
tie-eisen ontstaat vrijheid voor de markt op economisch opti-
prof.dr. Rob Polder
TNO / TUDelft, fac. CiTG
dr.ir. Gert van der Wegen
SGS INTRON B.V
prof.dr.ir. Klaas van Breugel
TUDelft, fac. CiTG
1
Serie Materiaalonderzoek in beweging
Dit is het vierde deel van een serie over materiaal-
ontwikkelingen vanuit de sectie Materialen en
Milieu bij de TU Delft, faculteit CiTG. In de serie
komen de volgende thema's aan bod:
? Simulaties van virtuele microstructuur (Cement
2010/2)
? Simulatie van scheurvorming (Cement 2010/3)
? Ontwerpen op levensduur (Cement 2011/2)
? Vorst-dooischade
? Kathodische bescherming
? Zelfherstellend beton
? Ecologische footprint
? Multiscale modellen
? Nanotechnologie
76_80 18_Levensduur.indd 7714-03-2011 14:28:06
Levensduur beton2 2 01178
0
10
20
30
40
0,30 0,35 0,40 0,45 0,50 0,55 0,60 0,65
CEM ICEM III/A&B slak > 45%CEM I 52.5 R + 21-30% vliegas
vliegas extrapolatie
D(RCM)
x 10¹² m²/s
wbf
2 RCM-coëfficiënt op 28 dagen
als functie van wbf voor ver-
schillende cementsoorten
3 Relatie tussen de inverse weer-
stand 1000/TEM (in 1000/?m)
en de RCM-waarde (in 10
-12
m
2
/s) voor dertien betonmeng-
sels op ouderdommen tussen
28 en 1090 dagen plus zes
mengsels onderzocht bij ibac
4 Opzet van de twee-elektroden-
methode (TEM) voor het bepa-
len van de elektrische weer-
stand van beton; weerstand is
spanning/stroom
een normale diffusietest en de spreiding zijn goed [4, 5].
Het onderzoek hield in dat een groot aantal door commissiele-
den en hun achterban ingebrachte proefresultaten is geanaly-
seerd. Hierbij bleek dat er duidelijke verschillen optraden als
functie van cementsoort en water-cementfactor, zoals weerge-
geven voor een ouderdom van 28 dagen in figuur 2, en als
functie van de ouderdom. Interessant is dat met hoogovence-
ment (met ten minste 50% slak) lage waarden worden bereikt,
die bovendien niet sterk afhangen van de wcf. Met portlandce-
ment is de waarde veel sterker afhankelijk van de wcf. Dit komt
goed overeen met gepubliceerde verbanden [6].
Ook de tijdafhankelijkheid vertoonde de verwachte verbanden
(sterkere afname van de chloridediffusiecoëfficiënt voor hoog-
oven- en vliegascement dan voor portlandcement). De conclu-
sie was dat deze proef geschikt is voor het beoogde doel, name-
lijk als toetsingsmethode voor de prestatie van betonmengsels.
Tegelijk betekent dit dat verschillende grenswaarden moeten
worden gesteld voor verschillende cementsoorten.
In aanvulling hierop is gekeken naar de elektrische weerstand
van beton. Deze bleek goed te correleren met de diffusiecoëf-
ficiënt, zeker binnen mengsels met hetzelfde cement. Figuur 3
illustreert het verband tussen de inverse weerstand en de RCM-
waarde voor een uiteenlopende reeks betonmengsels op ouder-
dommen tussen 28 en 1090 dagen. Bij de bouw van de Groene
Harttunnel is hiermee ervaring opgedaan [7]. Naar verwach-
ting kunnen kleine verschillen in wcf met deze methode goed
worden gedetecteerd. Daarom lijkt dit een goede proef voor
kwaliteitscontrole. Zij wordt uitgevoerd op kubussen, vooraf
aan de bepaling voor druksterkte, met de twee-elektrodenme-
thode (TEM), weergegeven in figuur 4.
Ten slotte is het model gevalideerd aan metingen aan construc-
ties aan zee [8] en aan gegevens van bruggen en viaducten [9].
Gemaakte keuzen
CUR-commissie VC81 heeft gekozen voor een voorzichtige
benadering: een nieuw principe, met behoud van de 'oude'
grenzen als plafond. Concreet: de eisen uit NEN-EN 206-1 en
male wijze aan de prestatie-eisen te voldoen; daarvoor moet
dan ook een geschikte grondslag aanwezig zijn ('aantonen').
CUR Leidraad 1 wil hieraan tegemoetkomen.
Onderzoek
Naast literatuuronderzoek is op beperkte schaal eigen onder-
zoek gedaan, geconcentreerd op de bepaling van de chloride-
diffusiecoëfficiënt. Een bepalingsmethode voor zo'n belangrijke
eigenschap moet natuurlijk proeftechnisch betrouwbaar en
tegelijk eenvoudig uitvoerbaar zijn, maar vooral zinvolle resul-
taten opleveren. Een proef die aan die eisen leek te voldoen was
de Rapid Chloride Migration test (RCM). Deze methode is in
de jaren 90 in Scandinavië ontwikkeld en genormeerd als
NTBuild 492 [3]. In [1] werd deze proef aangewezen als stan-
daard 'compliance test'.
Het chloridentransport in een proefstuk wordt versneld door
een elektrisch potentiaalverschil aan te leggen, schematisch
weergegeven in figuur 1. De uitvoering duurt daardoor één tot
enkele etmalen en de verwerking is relatief simpel (voorverza-
digen onder vacuüm, na afloop splijten en besproeien met
zilvernitraat waardoor het chloridenindringfront zichtbaar
wordt; dit wordt opgemeten en omgerekend). De correlatie met
Tabel 1 Maximale waarde DRCM op 28 dagen voor een ontwerplevensduur van 100 jaar
gemiddelde
betondekking
(mm)
maximale waarde van D
RCM
(10
-12
m
2
/s) op 28 dagen ouderdom
betonstaal voorspanstaal
CEM l CEM l + lll
25-50% slak
CEM lll
50-80% slak
CEM ll/B-V
CEM l + 20-30%
vliegas
XD1, XD2,
XD3, XS1
XS2,
XS3
XD1, XD2,
XD3, XS1
XS2,
XS3
XD1, XD2,
XD3, XS1
XS2,
XS3
XD1, XD2,
XD3, XS1
XS2,
XS3
35 45 3,0 1,5 2,0 1,0 2,0 1,0 6,5 5,5
40 50 5,5 2,0 4,0 1,5 4,0 1,5 12 10
45 55 8,5 3,5 6,0 2,5 6,0 2,5 18 15
50 60 12 5,0 9,0 3,5 8,5 3,5 26 22
55 65 17 7,0 12 5,0 12 5,0 36 30
60 70 22 9,0 16 6,5 15 6,5 47 392
76_80 18_Levensduur.indd 78
14-03-2011 14:28:06
Levensduur beton 2 2 011 79
y = 1,25x
R² = 0,86
0
2
4
6
8
10
12
14
16
18
20
0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20
28
90
3651090
prin
ibac 28linear (prin)
1000/TEM
RCM
A
V
len gelden voor 80 en 200 jaar. De DRCM-waarden gelden voor
nat nabehandelde proefstukken bepaald op 28 dagen ouder-
dom met de RCM-methode. De vetgedrukte getallen zijn
waarden die met de huidige betontechnologie (samenstellingen
volgens de NEN-EN 206-1 en NEN 8005) kunnen worden
gerealiseerd; lagere waarden zijn alleen met bijzondere samen-
stellingen realiseerbaar; hogere waarden worden afgeraden,
omdat zij typisch zijn voor betonmengsels die niet voldoen aan
de plafonds van NEN-EN 206-1 en NEN 8005. De aangegeven
dekking geldt voor betonstaal en voorgerekt voorspanstaal of
omhullingsbuis (nagerekt). De milieuklassen zijn ingedeeld
naar hoogte van de zoutbelasting.
Als voorbeeld van het gebruik van de tabel: een gewapend-
betonconstructie in dooizoutmilieu (XD3) wordt gebouwd
voor 100 jaar. De aannemer kiest voor hoogovencement CEM
III/B (met 75% slak), een dekking van 45 mm en een wcf van
0,45. Bij 45 mm dekking hoort een maximum DRCM van
6,0 .10
-12
m
2
/s. Met de gekozen wcf van 0,45 kan echter vrij
gemakkelijk 4,0 . 10
-12
m
2
/s worden gehaald. Daarmee kan men
een regel omhoog gaan in de tabel en kan de dekking worden
verlaagd tot 40 mm.
Niveau 2
In de aanpak van niveau 2 wordt de indringing van chloride
berekend met de formule:
C(x,t) = C
s
? ( C
s
? C
i
) erf
[
x
________
??
________
4 k D(t) t
]
(1)
waarin:
C(x,t) is het chloridegehalte op diepte x en tijdstip t;
C
s
is het chloridenoppervlaktegehalte;
C
i
is het initiële chloridegehalte;
k is een constante;
D(t) is de tijdafhankelijke diffusiecoëfficiënt. De constante k
is het product van een milieu- en materiaalfactor en
een nabehandelingsfactor.
NEN 8005 (samenstelling) en NEN 6722 (nabehandeling) zijn
geldig als randvoorwaarden. Deze sluiten ook een gebrek aan
duurzaamheid uit als gevolg van andere mechanismen (carbo-
natatie, vorst). Andere keuzen zijn geweest:
? het DuraCrete-model met aanpassingen, onder meer naar
aanleiding van eerder onderzoek aan constructies aan zee [8]
en op het land [9];
? een semi-probabilistische vereenvoudiging op basis van een
veiligheidsmarge op de betondekking;
? een faalkans aan het einde van de levensduur van circa 10%;
? invullen van een aantal ontbrekende coëfficiënten;
? NTBuild 492 als standaardproefmethode met een referentie-
methode [3], en
? een methode voor productiecontrole op basis van elektrische
weerstand.
Methodiek
Leidraad 1 geeft drie manieren ('niveaus') aan om prestatie-
eisen voor de levensduur van constructief beton te formuleren
tussen partijen:
1 aan de hand van tabellen waarmee eisen worden gesteld aan
de chloridediffusiecoëfficiënt van een betonmengsel als
functie van de betondekking, het bindmiddel en het milieu;
deze tabellen zijn gebaseerd op niveau 2;
2 aan de hand van de chloridediffusiecoëfficiënt van een
betonmengsel, een rekenformule en gemiddelde waarden
voor de invoer plus een veiligheidsmarge op de betondek-
king; dit is een semi-probabilistische vereenvoudiging van
niveau 3;
3 aan de hand van de chloridediffusiecoëfficiënt van een
betonmengsel, een rekenformule en statistische informatie
over de invoerwaarden (gemiddelde, standaardafwijking,
type verdeling) met behulp van een probabilistische bereke-
ning.
Niveau 1
De tabellen staan centraal bij niveau 1; een voorbeeld voor 100
jaar ontwerplevensduur wordt gegeven in tabel 1; andere tabel-
43
76_80 18_Levensduur.indd 79
14-03-2011 14:28:06
Levensduur beton2 2 01180
Besluit
Met de nieuwe Leidraad is het mogelijk de ontwerplevensduur
van betonconstructies te toetsen. Een betrouwbare lange
levensduur en economische optimalisatie worden hierdoor
bevorderd. Op dit moment inventariseert CUR-commissie
C177 ervaringen teneinde een volgende, verbeterde versie
mogelijk te maken: uw opmerkingen zijn welkom! ?
D(t) wordt gegeven door D(t) = D
0
(
t
0
__
t
)
n
(2)
waarin:
D
0
is de RCM-waarde bepaald op het referentietijdstip t
0
(meestal 28 dagen);
t is de tijd en
n is de verouderingscoëfficiënt, een functie van materiaal
(cementsoort) en milieu (nat of droog).
In de formules worden de gemeten D
0
en de andere coëfficiën-
ten uit de tabellen (zie [2]) ingevoerd; verder de ontwerple-
vensduur. Om de benodigde dekking te berekenen wordt eerst
de diepte berekend waarop het kritisch chloridegehalte van
0,60% chloride op cementmassa wordt bereikt aan het einde
van de gewenste levensduur. Deze diepte wordt dan verhoogd
met een veiligheidsmarge. Uit probabilistische berekeningen
van diverse gevallen is afgeleid dat een veiligheidsmarge van 20
mm leidt tot circa 10% faalkans; en een marge van 30 mm tot
ongeveer 5% faalkans. Daarom is gekozen voor een veiligheids-
marge van 20 mm voor betonstaal en van 30 mm voor voor-
spanstaal.
Niveaus 1 en 2 hebben beperkingen; bijvoorbeeld een aangeno-
men initieel chloridegehalte van 0,10% (met 0,025% standaard-
afwijking) en een standaardafwijking van de dekking van 5 mm
voor prefab en 10 mm voor ter plaatse gestorte constructies.
Indien hier wezenlijk van wordt afgeweken, is een berekening
op niveau 3 nodig of zinvol.
Niveau 3
Niveau 3 betekent een volledig probabilistische berekening.
Hiermee kan het effect van bijvoorbeeld een verhoogd initieel
chloridegehalte worden berekend (minder gunstig) of van een
kleinere spreiding in de dekking door nauwkeuriger uitvoering
(gunstiger). Dergelijke berekeningen zijn specialistenwerk,
waarbij probabilistische software nodig is. In dit kader gaan we
daar niet verder op in. Met deze optie kunnen (gevalideerde)
betere modellen of verbeterde invoerparameters direct worden
toegepast.
CUR Leidraad 1
CUR Leidraad 1 is bij het artikel te
downloaden op
www.cement online.nl.
Betoniek 14/26
Betoniek 14/26 ? Spelregels voor
100 jaar gaat geheel over CUR
Leidraad 1. De uitgebreide versie van deze
uitgave is te downloaden op www.betoniek.nl.
Artikelen online
De eerder verschenen artikelen in
deze serie zijn te raadplegen op
www.cementonline.nl.
? LiteRatuuR
1 DuraCrete Final Technical Report R17, Docu-
ment BE95-1347/R17, The European Union ?
Brite EuRam III, DuraCrete ? Probabilistic
Performance based Durability Design of
Concrete Structures. CUR, Gouda, 2000.
2 CUR Leidraad 1, Duurzaamheid van constructief
beton met betrekking tot chloride-geïnitieerde
wapeningscorrosie, Leidraad voor het formule-
ren van prestatie-eisen. CUR, Gouda, 2009, te
downloaden op www.curbouweninfra.nl.
3 NT Build 492 Concrete, mortar and cement-
based repair materials: chloride migration
coefficient from non-steady-state migration
experiments (approved 1999-11).
4 Tang, L., Sørensen, H.E., Precision of the Nordic
test methods for measuring the chloride diffu-
sion/migration coefficients of concrete. Mate-
rials and Structures, Vol. 34, October 2001.
5 CHLORTEST/Tang Luping, Guideline for Practi-
cal Use of Methods for Testing the Resistance
of Concrete to Chloride Ingress. CHLORTEST
Deliverable D23, EU project GRD1-2002-71808,
SP, Boras, Sweden, 2005.
6 Gehlen, C., Probabilistische Lebensdauerbe-
messung von Stahlbetonbauwerken, Deut-
scher Ausschuss für Stahlbeton 510. Berlin,
2000.
7 Rooij, M.R. de, Polder, R.B. & Oosten, H. van,
Validation of durability of cast in situ concrete
of the Groene Hart railway tunnel, HERON Vol.
52 (4), 2007.
8 Rooij, M.R. de & Polder, R.B., Toestand van
betonconstructies aan zee. Cement 2005/8.
9 Gaal, G.C.M., Prediction of Deterioration of
concrete bridges. Ph.D. thesis, Delft University
Press, Delft, 2004.
76_80 18_Levensduur.indd 8014-03-2011 14:28:07
Reacties