Als het nieuwe Bouwbesluit van kracht wordt, hoogstwaarschijnlijk vanaf 1 april 2012, moeten constructeurs rekenen met de Eurocodes. Dat geldt dus ook voor Eurocode 0 (grondslagen) en Eurocode 1 (belastingen). Op hoofdlijnen verschillen die Eurocodes niet met de TGB 1990-serie, maar overzichtelijk, duidelijk en eenduidig is het nieuwe systeem nog niet. Op detailniveau wijken bijvoorbeeld terminologie en symboliek af. In dit artikel wordt ingegaan op de verschillen tussen NEN 6702 en Eurocode 0 en 1. Auteurs:prof.ir. Ton Vrouwenvelder (TU Delft, fac. CiTG / TNO)ir. Simon Wijte (Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V.)
Belastingen en belastings combinaties1 201274
Xxxx
Als het nieuwe Bouwbesluit van kracht wordt, hoogst-
waarschijnlijk vanaf 1 april 2012, moeten constructeurs
rekenen met de Eurocodes. Dat geldt dus ook voor Euro-
code 0 (grondslagen) en Eurocode 1 (belastingen). Op
hoofdlijnen verschillen die Eurocodes niet met de TGB
1990-serie, maar overzichtelijk, duidelijk en eenduidig is
het nieuwe systeem nog niet. Op detailniveau wijken
bijvoorbeeld terminologie en symboliek af. In dit artikel
wordt ingegaan op de verschillen tussen NEN 6702 en
Eurocode 0 en 1.
Belastingen
en belastings-
combinaties
Verschillen tussen de TGB 1990 en Eurocode 0 en 1
Binnenkort wordt in Nederland bij het ontwerp van een
constructie en het beoordelen van een bouwaanvraag overge-
stapt van de vertrouwde TGB 1990-serie (NEN 6700) op de
Eurocodes, ofwel de NEN-EN 1990-serie. Deze bestaat uit:
3 Eurocode 0 3 NEN-EN 1990, Grondslagen;
3 Eurocode 1 3 NEN-EN 1991, Belastingen;
3 Eurocode 2 t.m. 6 en 9 3 NEN-EN 1992-1996 en NEN-EN
1999, materiaalgebonden normen;
3 Eurocode 7 3 NEN-EN 1997, Geotechniek;
3 Eurocode 8 3 NEN-EN 1998, Aardbevingen.
De Eurocodes zijn, net als hun voorgangers, in beginsel te
beschouwen als private documenten waarvan onderdelen
publiekrechtelijk vanuit het Bouwbesluit worden aangestuurd.
Zoals gebruikelijk betreft dit vooral onderdelen die betrekking
hebben op veiligheid. Eurocode 8 wordt niet door het Bouwbe-
sluit aangestuurd, evenals Eurocode 1, deel 1-6 over belastingen
die optreden gedurende de bouwfase.
Eurocodes zijn minder Europees dan de naam doet vermoe-
den: elk land heeft het recht via de nationale bijlagen (NB)
bepaalde zaken aan te passen of aan te vullen. Van dit recht is
ook veelvuldig gebruikgemaakt. In Nederland zijn de nationale
bijlagen opgesteld onder de regie van de Stuurgroep Invoering
Eurocodes met vertegenwoordigers van de overheid, NEN,
onderzoekinstellingen en het bedrijfsleven. Deze nationale
bijlagen zijn uiteindelijk goedgekeurd door de NEN-normcom-
Belastingen en belastings combinaties 1 2012 75
missie 351 001 TGB-Plenair. Bij dit artikel is uitgegaan van de
gewijzigde inhoud van de nationale bijlagen die in de loop van
2011 door NEN zijn uitgebracht.
Herkenbaar uiterlijk
De nationale bijlagen lijken op de wijzigings- of correctiebla-
den, zoals die voor de normgebruiker bekend zijn. De gebrui-
ker kan direct zien waar teksten van de nationale bijlagen hun
plaats in de hoofdtekst van het bi jbehorende Eurocode-deel
hebben. In Nederland is geprobeerd met de nationale bijlagen
grote en ongemotiveerde veranderingen in zowel bouwkosten
als veiligheidsniveau te voorkomen. Hiertoe zijn kwalitatieve
en kwantitatieve vergelijkingen gemaakt tussen de TGB 1990-
serie en de Eurocodes en is regelmatig overleg gevoerd met
Cement en Bouwen met Staal
De tekst van dit artikel is ook verschenen in Bouwen met Staal
225 (februari 2012). Het onderwerp is immers van belang bij
stalen én bij betonnen constructies. Door het in zowel
Cement
als Bouwen met Staal te publiceren wordt een zo groot mogelijk
publiek bereikt.
prof.ir. Ton Vrouwenvelder
TU Delft, fac. CiTG / TNO
ir. Simon Wijte
Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V.
1 Instorting overdekte
kunstijsbaan in Bad
Reichenhall (Duitsland)
belanghebbende partijen. Toch mag worden verwacht dat na
invoering van de Eurocodes er in de praktijk nog vele haken en
ogen zullen aan zitten en verdere aanpassingen nodig zijn,
zowel redactioneel als inhoudelijk.
NEN-EN 1990 Grondslagen
NEN-EN 1990, informeel ook wel Eurocode 0 genoemd, bevat
de grondslagen voor de constructieve beoordeling van bouw-
constructies. Naast definities en principes heeft dit document
ook een belangrijke operationele betekenis, vanwege de formu-
lering van de te beschouwen belastingscombinaties, met inbe-
grip van de getalwaarden voor de te hanteren partiële factoren
voor de belastingen.
De basiseis van NEN-EN 1990, en daarmee de basiseis van het
1
Belastingen en belastings combinaties1 201276
Op hoofdlijnen verschilt dit dus niet van de TGB 1990-serie, al
zijn er op detailniveau tal van verschillen. Kijk alleen maar eens
naar de terminologie. Zo komen in de Eurocode de afkortingen
EQU, STR, GEO en FAT voor die achtereenvolgens staan voor
de grenstoestanden, verlies van evenwicht, constructief falen,
geotechnisch falen en vermoeiing, met elk hun eigen verifica-
tieregels. Voor de staal- en betonconstructeur is STR (Structu-
ral) veruit de belangrijkste. Het gaat daarbij om zaken als het
bezwijken van doorsneden van de constructie (vloeien, breken)
of excessieve vervorming van constructieve elementen, met
inbegrip van funderingselementen, kelderwanden enz.
Constructie-eigenschappen als stijfheid en sterkte spelen een
cruciale rol. De sterkteberekening zelf, inclusief de partiële
factoren, zijn beschreven in de materiaalgebonden normen. De
belastingkant is geregeld in NEN-EN 1990 en Eurocode 1.
Belastingscombinaties
We beperken ons hier tot de blijvende (permanente) en tijde-
lijke belastingscombinaties. Via de NB heeft elk land de keuze
uit twee mogelijke formuleringen, te weten de vergelijking 6.10
of de combinatie van 6.10a en 6.10b. In Nederland is voor deze
laatste gekozen, hetgeen neerkomt op:
Tabel 2 ?-waarden volgens tabel 2.2 van de NB bij NEN-EN 1990
belastingsoort ?
0
?
1
?
2
opgelegde belasting 0-1 0-0,9 0-0,8
sneeuw 0 0,2 0
regenwater 0 0 0
wind 0,0/0,2 0,2 0
temperatuur 0 0,5 0
2 Schade ontstaan tijdens
sneeuwval van november
2005
2
Tabel 1 Belastingfactoren volgens tabel 2.1 van de NB bij NEN-EN 1990 voor de UGT
grenstoestand belastingeffect
?
G
?
Q
STR ongunstig 1,35 1,50
gunstig 1,00 0,00
gehele Eurocode-systeem, is dat een constructie zodanig moet
zijn ontworpen en gebouwd, dat deze gedurende de vastge-
stelde ontwerplevensduur met voldoende betrouwbaarheid en
zonder buitensporig onderhoud voldoet aan de criteria van
veiligheid en bruikbaarheid. De hoekstenen bij de verdere
uitwerking van deze eis zijn:
3 het concept van grenstoestanden;
3 de berekening met partiële factoren;
3 de probabilistische achtergrond;
3 het concept van robuustheid;
3 de aandacht voor duurzaamheid en levensduur;
3 de relatie met kwaliteitsborging.
Belastingen en belastings combinaties 1 2012 77
Gevolg- en veiligheidsklassen
Zowel in de TGB 1990-serie als in de EC (NEN-EN 1990,
Annex B) zijn drie klassen onderscheiden, echter deze sluiten
niet volledig op elkaar aan. De Eurocode (tabel 3) heeft een
8hogere9 hoogste klasse: CC3. Gevolgklasse CC2 van Eurocode
komt overeen met veiligheidsklasse 3 van de TGB 1990-serie.
Gevolgklasse CC1 zit tussen veiligheidsklasse 1 en 2 in. Beslo-
ten is om de Eurocode in dit opzicht te volgen.
De rekenregel in de Eurocode is dat alle waarden voor de parti-
ele factoren voor de belastingen gegeven zijn voor gevolgklasse
2. De andere klassen worden bereikt via een factor 1,1 omhoog
of omlaag op alle partiële factoren, dus ook die voor de perma-
nente belasting. In de NB is aangegeven dat dit niet geldt voor
de EQU-grenstoestand.
Het geotechnisch ontwerp
In NEN-EN 1990 zijn in Bijlage A1.3 drie varianten beschreven
voor het geotechnisch ontwerp (GEO). De keuze tussen deze
varianten moet worden gemaakt in de NB. Elke variant heeft
een andere set van partiële factoren voor de belastingen, de
geotechnische parameters en de sterkte. De drie methoden
kunnen als volgt worden omschreven:
3 Methode 1 past in afzonderlijke berekeningen de partiële
factoren van tabel 3.1 (B) en tabel 3.1 (C) van NEN-EN 1990
toe op zowel de geotechnische belastingen als de constructie-
3
jg1
?
G,j
G
k,j
+ ?
p
P
k
+ 3
ig1
?
Q,i
?
0,i
Q
k,i
(6.10a)
3
jg1
?
j
?
G,j
G
k,j
+ ?
p
P
k
+ ?
Q,1
G
k,1
+ 3
ig1
?
Q,i
?
0,i
Q
k,i
(6.10b)
De hoofdletters G, P en Q staan achtereenvolgens voor de
permanente belasting, de voorspanning en de variabele belas-
ting. De ? staat voor een partiële factor en ? en ?
0
zijn reductie-
factoren. De index k geeft aan dat het om een karakteristieke
waarde gaat. De indices i en j zijn uitsluiten tellers. De +-tekens
moeten worden opgevat als 8te combineren met9. Het is dus niet
bedoeld als rekenkundige optelling.
Als we dit vergelijken met de huidige TGB, dan komt 6.10a
overeen met de fundamentele belastingscombinatie 2 (zij het
dat er een term is bijgekomen) en 6.10b met de fundamentele
belastingscombinatie 1. De factor ? herkennen we misschien
niet direct maar het product ??
G
komt via ?
G
= 1,35 en ? = 0,89
overeen met de bekende waarde 1,2. De in de belastingscombi-
naties te hanteren ?- en ?
0
-waarden staan vermeld in de tabel-
len 1 en 2. Tabel 2 geeft ook de ?
1
- en ?
2
-waarden die een rol
spelen bij de combinaties met buitengewone belastingen en in
bruikbaarheidsgrenstoestand.
Belangrijk is om te weten dat de regels voor de keuze van
gunstig of ongunstig werkende permanente belasting bij EQU
anders zijn dan bij STR/GEO. Bij EQU wordt per onderdeel
van de belasting gekeken of deze gunstig of ongunstig werkt.
Bij STR/GEO wordt eerst het effect van de totale bron van
permanente belasting bekeken en daarna beslist of deze gunstig
dan wel ongunstig werkt. Alleen bij totaal verschillende perma-
nente belastingsbronnen (waterdruk en betongewicht) kunnen
dus bij STR/GEO verschillende factorwaarden in een enkele
verificatieberekening voorkomen.
Karakteristieke waarden/ontwerplevensduur
De karakteristieke waarden van de belastingen (F
k
) worden
beschreven in Eurocode 1. Deze waarden zijn als volgt gedefini-
eerd: voor permanente belastingen met weinig spreiding zijn de
karakteristieke waarden de gemiddelde waarden en anders een
5%-fractiel. Voor variabele belastingen is de karakteristieke
belasting meestal gedefinieerd als de waarde met een herhalings-
tijd gelijk aan de ontwerplevensduur. De standaardwaarden in
Eurocode 1 zijn gegeven voor een periode van 50 jaar. In de NB
bij NEN-EN 1990 is een omrekenformule beschreven voor een
afwijkende ontwerplevensduur. Voor enkele belastingssoorten
zijn in Eurocode 1 hiervan afwijkende bepalingsmethoden
beschreven. De levensduurkeuze speelt uiteraard ook een rol bij
de sterktebeoordeling als daar degradatie-effecten (vermoeiing,
corrosie, chloride enz.) een rol spelen. Deze zaken zijn echter
uitgewerkt in de materiaalgebonden Eurocodes.
Tabel 3 Definitie van gevolgklassen
gevolgklasse omschrijving
1
) toepassing
CC3 grote gevolgen hoogbouw (h > 70 m)
grote openbare gebouwen tentoonstel-
lingsruimten
concertzalen
CC2 middelmatige
gevolgen
woongebouwen
kantoorgebouwen
openbare gebouwen
industriegebouwen (? 3 bouwlagen)
CC1 geringe gevolgen landbouwbedrijfsgebouwen
tuinbouwkassen
standaard eengezinswoningen
industriegebouwen (? 2 bouwlagen)
1
) Voor de gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, en/of kleine
of verwaarloosbare economische of sociale gevolgen, of gevolgen voor de
omgeving.
Constructie-elementen mogen zijn ingedeeld in een lagere gevolgklasse dan de
constructie waarvan ze deel uitmaken, indien mag worden verwacht dat de
gevolgen van bezwijken van een geringere orde zijn. Indien mag worden ver-
wacht dat de gevolgen van bezwijken van constructies tijdens de uitvoeringsfa-
se van een geringere orde zijn dan in de gebruiksfase, mogen ze zijn ingedeeld
in een lagere gevolgklasse, en omgekeerd, als verwacht wordt dat de gevolgen
groter zijn, moeten ze zijn ingedeeld in een hogere klasse.
Belastingen en belastings combinaties1 201278
Eigen gewicht en opgelegde belastingen
De belastingen veroorzaakt door het eigen gewicht en de 8opge-
legde belastingen9 zijn beschreven in deel 1-1 van Eurocode 1.
Opgelegde belastingen is een vertaling van het Engelse begrip
imposed loads en kunnen het best worden beschreven met het
oude begrip 8nuttige belasting9. Het zijn belastingen die het
gevolg zijn van het gebruik en/of de functie van de constructie.
Het eigen gewicht en de blijvende of permanente belasting
veroorzaakt door constructieve en niet-constructieve elemen-
ten worden bepaald door de afmetingen en het volumieke
gewicht van de materialen. Een uitgebreide opsomming van de
volumieke gewichten van veel materialen is in bijlage A van
deel 1-1 opgenomen. Daar waar relevant, is in de bijlage
behalve het volumieke gewicht ook de hellingshoek van het
natuurlijk talud beschreven. Een meer uitgebreide beschrijving
van de belasting op kerende constructies is opgenomen in
NEN-EN 1991-4 (Eurocode 1).
Het gewicht van verplaatsbare scheidingswanden moet worden
beschouwd als een opgelegde belasting en niet, zoals in NEN
6702, als een blijvende belasting. Gelijk aan NEN 6702 kan het
gewicht van de scheidingswanden, met een maximale lijnlast
tot 3 kN/m, worden beschouwd als een gelijkmatig verdeelde
vloerbelasting.
Voor de opgelegde belasting op vloeren van woon-, bijeen-
komst-, handels- en kantoorruimten worden verschillende
vloerklassen gedefinieerd. Klasse A beschrijft het gebruik in
woonruimten. Klasse B dat in kantoren en klasse C in bijeen-
komstruimten, waarbij onderscheid is gemaakt met subklassen.
Tot slot, beschrijft klasse D het gebruik in winkelruimten. De
nadere beschrijving van de klassen is opgenomen in tabel 6.1
van deel 1-1. De waarden voor de aan te houden vloerbelastin-
gen q
k
zijn beschreven in tabel 6.2 van de NB (tabel 4). In
bijlage C van de NB is een conversietabel opgenomen waarmee
de gebruiksfunctie-omschrijvingen, zoals gehanteerd in NEN
6702, kunnen worden omgezet naar de belastingsklassen
volgens NEN-EN 1991-1-1 en vice versa. Voor de oplegde
belastingen worden gelijkmatig verdeelde belastingen en punt-
lasten beschreven. De belastingsschikking per laag is beschre-
ven zoals dat ook in NEN 3850 (TGB 1972) was voorgeschre-
ven. Gekozen moet worden voor de ongunstigste combinaties
van de vrije vloerbelasting. Voor de extreme veldmomenten
moet daarom de schaakbordbelasting worden beschouwd.
In de NB bij NEN-EN 1991-1-1 is de belastingsschikking bij
een constructie met meer lagen beschreven. Op twee bouwla-
gen moet de volledige belasting worden aangehouden. De
opgelegde belasting op de overige lagen mag worden geredu-
ceerd door de karakteristieke belasting te vermenigvuldigen
met ?
0
zodat de combinatiewaarde van de belasting wordt
belastingen zoals wind, eigen gewicht enz. In het geval van een
paalfundering is er nog een afwijkende set partiële factoren.
3 Methode 2 past de partiële factoren van tabel 3.1 (B) van
NEN-EN 1990 toe op zowel de geotechnische belastingen als
op de constructiebelastingen.
3 Methode 3 past de partiële factoren van tabel 3.1 (B) van
NEN-EN 1990 toe op de belastingen en op de belastingeffec-
ten van de constructie en de partiële factoren van tabel 3.1
(C) op de geotechnische belastingen. In de NB is aangegeven
dat in Nederland gekozen is voor Methode 3
Bruggen
Voor bruggen bestaat een afzonderlijke Bijlage A2 met op
enkele punten afwijkende factoren. Met name de factor voor
verkeersbelasting is lager dan die voor de algemene variabele
belasting. In dit artikel wordt verder niet ingegaan op regels die
voor bruggen van toepassing zijn.
Tabel 4 Opgelegde vloerbelastingen volgens tabel 6-2 van NEN-EN 1991-1-1
vloerklasse q
k
(kN/m²)
A ? woonruimten
? vloeren
? trappen
? balkons
1,75
2,0
2,5
B ? kantoorruimten 2,5
C ? bijeenkomstruimten
? met tafels of vaste zitplaatsen
? zonder obstakels/fysieke activiteiten/grote mensenmassa's
4,0
5,0
D ? winkelruimten 4,0
4 Ronan Point na gasexplo-
sie op 16 mei 1968
4
Belastingen en belastings combinaties 1 2012 79
tegemoet wordt gekomen.
Voorlopig is de procedure dat met deze nieuwe methoden erva-
ring wordt opgedaan via het gelijkwaardigheidbeginsel. Op
termijn is het de bedoeling dat er hierdoor meer gedetailleerde
informatie komt en dat een formele uitwerking in de normen
kan worden opgenomen. Op de langere duur moeten echter
binnen de reguliere regelgeving voor alle materialen bruikbare
bepalingsmethoden worden opgenomen. Bij de ontwikkeling
daarvan zal zorgvuldig op zowel de onderlinge concurrentie-
mogelijkheden als het minimaal vereiste veiligheidsniveau voor
constructie en personen moeten worden gelet.
Sneeuw en regenwater
Deel 1-3 van Eurocode 1 behandelt belastingen door sneeuw.
Er is in Eurocode 1 geen deel dat ingaat op de belasting door
regenwater, die in NEN 6702 is beschreven. Bij de NB uit 2007
is de belasting door regenwater toegevoegd aan deel 1-1.
Echter, omdat deel 1-3 specifiek ingaat op belastingen op
daken, is besloten de belasting door regenwater, met toevoegin-
gen aan de NB van deel 1-3, bij dit deel te sluiten. De rekenre-
gels voor belasting door regenwater zijn, behoudens de grootte
van de neerslagintensiteit, niet gewijzigd ten opzichte van die in
NEN 6702. Ook een eventuele reductie voor een korte
ontwerplevensduur is gelijk en moet worden toegepast op de
verkregen. Deze reductie van de belastingen is niet toegestaan
voor ontsluitingswegen. De beschreven methode is anders dan
de in 6.3.1.2 (11) beschreven methode waarbij gebruik wordt
gemaakt van de factor ?
n
. De in de NB beschreven methode is,
anders dan bij NEN 6702, gelijk voor alle constructies. Onder
andere voor woongebouwen zal dit leiden tot een iets grotere
bijdrage aan de opgelegde belastingen op de normaalkracht in
de verticale constructiedelen.
De opgelegde belasting op daken die alleen toegankelijk zijn
voor onderhoud en herstelwerkzaamheden zijn in de NB gelijk-
gesteld aan die in NEN 6702. Dat geldt ook voor het oppervlak
waarop deze belasting werkzaam is: 10 m².
De belastingen op afscheidingen bij een hoogteverschil zijn in
de NB beschreven. Bij deze belastingen is onderscheid gemaakt
tussen de reguliere statische opgelegde belastingen, waarbij de
constructie moet voldoen aan de reguliere eisen die van toepas-
sing zijn voor de blijvende ontwerpsituatie, en stootbelastingen,
waarbij enige schade aan de afscheiding mag ontstaan. De
grootte van deze belastingen is overgenomen uit NEN 6702.
Deel 1-1 geeft geen beschrijving voor de wijze waarop de belas-
tingen voor een kortere ontwerplevensduur mogen worden
gereduceerd. Bij een kortere ontwerplevensduur zijn de regels
volgens bijlage A van NEN-EN 1990 van toepassing. Deze
komen overeen met de regels van NEN 6702.
Brand
In deel 1-2 van Eurocode 1 wordt uitgegaan van een breed
opgezette ontwerpmethode (Fire Safety Engineering
Approach). Met name waar het de thermische belasting van de
constructie betreft, levert dit verschillen op met de benadering
in de Nederlandse regelgeving. Uitgangspunt in de Eurocode is
het meest relevante brandscenario en de daaruit volgende
ontwerpbrand. De volgende ontwerpbranden worden onder-
scheiden:
3 nominale brandkrommen (gebaseerd op conventies);
3 natuurlijke brandmodellen (gebaseerd op fysische uitgangs-
punten).
In vigerende Nederlandse normbladen wordt slechts uitgegaan
van de standaardbrand en is bovenbedoelde keuze niet aan de
orde. Een uitwerking is ook niet voor alle materialen operatio-
neel. Kenmerkend voor de Eurocode-benadering is dat een
beter inzicht ontstaat in het feitelijk gedrag van de constructie
bij brand, met als voordelen een meer uitgebalanceerde veilig-
heid en betere economische oplossingen. Daar staat tegenover
dat de Eurocode-methode meer kennis vergt en meestal ook
bewerkelijker is. In dit verband wordt overigens opgemerkt dat
tegenwoordig gebruikersvriendelijke computerprogramma9s
beschikbaar zijn, waarmee aan laatstgenoemde argumenten
Belastingen en belastings combinaties1 201280
neerslagintensiteit. Op basis van gegevens van het KNMI is de
neerslagintensiteit vergroot van 0,047 mm/s naar 0,05 mm/s.
Deze neerslagintensiteit is gebaseerd op een bui met een herha-
lingskans van eens in 50 jaar, waarbij 15 mm neerslag valt
binnen een periode van 5 minuten.
Hoewel in de informatieve bijlage C van deel 1-3 aangegeven is
dat in grotere delen van Nederland zou kunnen worden uitge-
gaan van een lagere sneeuwbelasting dan die in de TGB 1990
reeds was beschreven, is in de NB de grootte van de sneeuwbe-
lasting op de grond gelijk gesteld aan die in NEN 6702: s
k
=
0,70 kN/m². Dit is mede ingegeven door de sneeuwval van
november 2005 waarbij op sommige plaatsen in Nederland de
belasting nagenoeg overeenkwam met de in NEN 6702 voorge-
schreven sneeuwbelasting op de grond (foto 2).
De reductie van de sneeuwbelasting voor situaties waarbij een
dak vanuit alle richtingen vrij kan worden aangeblazen, die in
NEN 6702 gelijk was aan 0,75, wordt in deel 1-3 in rekening
gebracht met de blootstellingsfactor
C
e
. Deze factor is in de NB
gelijk aan 1,0 en dus niet effectief. De vormfactoren voor het
bepalen van de sneeuwbelasting op het dak, in de Eurocode
8sneeuwbelastingsvormcoëfficiënten9 genoemd, zijn voor platte-
en lessenaarsdaken gelijk in beide normen.
De reductie van de belasting bij een kortere ontwerplevensduur
is in de NB van deel 1-3 beschreven. De reductie is iets groter
dan die volgt uit NEN 6702. Bij een ontwerplevensduur van 15
jaar moet ten minste 75% van de belasting die geldig is bij een
periode van 50 jaar worden beschouwd.
Temperatuur
De temperaturen waarvan bij het bepalen van een belastingsef-
fect op constructies moet worden uitgegaan zijn beschreven in
deel 1-5 van Eurocode 1. Dit deel beschrijft zowel de tempera-
turen voor gebouwen als die voor bruggen. Voor gebouwen is
er geen sprake van een significant verschil tussen de tempera-
turen die in NEN 6702 en die in deel 1-5 zijn voorgeschreven.
In de informatieve bijlage C van deel 1-5 is voor een aantal
constructiematerialen de thermische uitzettingscoëfficiënt
beschreven. In bijlage D is een bepalingsmethode opgenomen
voor het verloop van de temperatuur over de dikte van een
constructie. Deze methode gaat uit van een stationaire situatie.
Vooral voor het beoordelen van spanningen in meerlaagse
constructies kan een niet-stationaire situatie tot meer extreme
temperatuursverschillen leiden. In het geval van verhindering
van vervormingen zal dit tot grotere inwendige spanningen in
de constructie aanleiding geven.
Wind
De basisvergelijking in deel 1-4 van Eurocode 1 is vergelijkbaar
met die in de TGB 1990 en wordt gegeven door:
p
k
= c
e
(z)½?v
w
2
c
f
c
s
c
d
Hierin is ½?v
w
2
de stuwdruk op 10 m hoogte, c
e
(z) beschrijft het
profiel over de hoogte, c
f
is de druk- of vormfactor, c
s
een correc-
tie voor afmetingen en de factor
c
d
verdisconteert de dynamica.
In de uitwerking van de Eurocode zijn er echter een aantal
verschillen. Zo is de herhalingstijd van de extreme windsnelheid
omhoog gegaan van 12,5 jaar naar 50 jaar en zijn er regels om
rekening te houden met lokaal hogere windbelasting door de
nabijheid van hoge gebouwen. In de Eurocode komen vijf
ruwheidklassen voor die in de NB in Nederland zijn terugge-
bracht tot drie: bebouwd, onbebouwd en kust. Deze laatste is
nieuw ten opzichte van de TGB 1990 en geldt voor de eerste
bebouwingslijn direct aan de kust en enkele grote open wateren.
Door het hanteren van enkele andere modellen zijn verder de
profielen met de hoogte niet meer identiek aan de huidige voor-
schriften. De indeling in de gebieden I, II en III is blijven
bestaan. Om het de gebruiker gemakkelijk te maken is het totaal
resultaat van de Eurocode én de NB vertaald naar tabellen (in de
NB) die de constructeur bekend zullen voorkomen.
De Eurocode geeft uitgebreide en gedetailleerde informatie
over de lokale druk- en krachtfactoren. Hierop zijn in de NB
enkele aanpassingen gedaan. De correctiefactoren voor de
uitmiddeling van vlagen over een groot oppervlak en de
invloed van de dynamica worden in de Eurocode vaak meege-
nomen via de gecombineerde factor c
s
c
d
. Hiervoor zijn grafie-
ken opgenomen. In veel gevallen is de eenvoudige benadering
c
s
c
d
= 1 conservatief. In de bijlagen zijn uitgewerkte procedures
opgenomen voor wie het precies wil weten. In de NB9s zijn
verder ook nog de bepalingen van NEN 6707 3 van toepassing
voor de bevestiging van dakbedekkingen 3 opgenomen
waarmee de drukvereffening over permeabele buitenlagen van
de gebouwschil kan worden geschat.
Belastingen en belastings combinaties 1 2012 81
Buitengewone belastingen
Buitengewone belastingen zijn onder andere belastingen die in
de TGB 1990 zijn aangeduid met 8bijzondere belastingen9.
Echter, gebaseerd op de beschrijving van de buitengewone
ontwerpsituatie in NEN-EN 1990, gaat deel 1-7 verder met het
beschrijven van buitengewone belastingen dan in NEN 6702.
In NEN-EN 1990 wordt gesteld dat een constructie zo moet
zijn ontworpen dat deze niet disproportioneel wordt bescha-
digd bij buitengewone voorvallen zoals explosies, aanrijdingen
en de gevolgen van menselijke fouten. Het begrip hoofddraag-
constructie, dat in de TGB 1990 bepalend is bij het wel of niet
beschouwen van bijzondere belastingen, wordt niet meer
gebruikt in de Eurocode. Of buitengewone belastingen moeten
worden bekeken, wordt bepaald door de subjectieve beoorde-
ling op de gevolgen van de buitengewone belastingen en of
deze disproportioneel zullen zijn.
In figuur 3 is beschreven hoe de buitengewone ontwerpsituatie
in deel 1-7 wordt beschouwd. Onderscheid wordt gemaakt
tussen twee situaties:
1. een situatie waarbij een buitengewone belasting met een
bekende oorzaak, zoals een gasexplosie of een stootbelasting
door een aanrijding, op de constructie aangrijpt;
2. een situatie waarbij wordt aangenomen dat een onderdeel
van de constructie door een onbekende oorzaak bezwijkt, en
waarbij de gevolgschade van dit bezwijken voldoende dient te
zijn beperkt.
Ontwerpstrategieën bij bekende belastingen zijn het voorko-
men of reduceren van het effect van de belasting, of zorgen dat
de constructie dit effect kan weerstaan. Het voorkomen of
reduceren kan door te zorgen dat de constructie niet bereikbaar
is voor voertuigen, of door 3 in het geval van een ruimte met
een gasstookinstallatie 3 voldoende grote ontlastopeningen aan
te brengen.
Het toetsen van de weerstand van de constructie moet worden
gedaan volgens de regels in de materiaalgerelateerde Eurocode-
delen. Hierbij moet wel worden bedacht dat enige mate van
schade aan de constructie is toegestaan. In het algemeen loont
het om bij het beschouwen van de response van de constructie
een dynamische analyse te gebruiken waarin een groot deel van
de energie wordt opgenomen door plastische vervormingen
van de constructie.
Ontwerpstrategieën bij onbekende belastingen zijn:
3 het aanbrengen van trekbanden in de constructie om de
robuustheid van de constructie te vergroten;
3 het ontwerpen van constructies waarbij een alternatieve
afdracht van de belastingen mogelijk is;
3 het creëren van een extra veiligheid in onderdelen van de
constructie waarvan het bezwijken leidt tot disproportionele
schade (key-elements).
De mate van de inspanning, die wordt gedaan om disproporti-
onele schade bij het bezwijken van een constructie-onderdeel
te voorkomen, is afhankelijk van de belangrijkheid van de
constructie. Bij constructies uit gevolgklasse 1 zijn geen additi-
onele maatregelen noodzakelijk. Bij gevolgklasse 2 kan vaak
worden volstaan met het vergroten van de robuustheid door
trekbanden. Bij gevolgklasse 3 is een risicoanalyse noodzake-
lijk. Bij een risicoanalyse worden dreigingen en gevolgen kwali-
tatief of kwantitatief bepaald en worden, indien dit noodzake-
lijk wordt geacht, maatregelen genomen om de dreiging en/of
de gevolgen te verkleinen. In bijlage B van deel 1-7 wordt
beschreven hoe een risicoanalyse kan worden uitgevoerd.
In de informatieve bijlage A bij deel 1-7 is beschreven welke
ontwerpstrategie voor een constructie kan worden toegepast en
verder worden uitgewerkt. De inhoud van deze bijlage is
ontleend aan de Britse bouwregelgeving. Deze regels zijn in
Groot-Brittannië ingevoerd na de omvangrijke instorting van
de woontoren Ronan Point in 1968 (foto 4).
Tot slot
Voor de Eurocodes die betrekking hebben op gebouwen en
bruggen zijn via kwalitatieve en kwantitatieve analyses bijbeho-
rende nationale bijlagen ontwikkeld. Voor de categorie 8overige
bouwwerken9 (torens, masten, silo9s enz.) is dat (nog) niet
gebeurd. Binnenkort zal het hele systeem vanuit het Bouwbe-
sluit worden aangestuurd. Het is overigens al geruime tijd
mogelijk om de Eurocodes te gebruiken bij het aanvragen van
een bouwvergunning. Hiervan is echter tot op heden nauwe-
lijks gebruikgemaakt en echte praktijkervaring is er dus nog
maar weinig. Vanuit het ontwikkelingstraject van de NB9s
hebben de normcommissies de indruk gekregen dat met de
Eurocode en de NB9s technisch een bevredigend niveau kan
worden bereikt. Het nieuwe systeem scoort echter minder hoog
als het gaat om zaken als overzichtelijkheid, duidelijkheid en
eenduidigheid. Verwacht mag worden dat in de nabije
toekomst over veel punten de nodige vragen zullen ontstaan en
dat er nog vele discussies moeten worden gevoerd. 6
buitengewone ontwerpsituatie
doel:
beperken van gevolgen van lokaal bezwijken
ontwerpstrategiën:
? het vervaardigen van een constructie met een
tweede draagweg
? het ontwerpen van key elements op denkbeeldige
buitengewone belasting
? detailleringsregels ten behoeve van samenhang
en ductiel gedrag
onbekende oorzaken
beschouw buitengewone belastingen
bekende oorzaken
ontwerpstrategiën:
? voorkomen of reduceren van het belastinge?ect
? ontwerp van constructie op het belastinge?ect
3 Bijzondere ontwerpsituaties
volgens NEN-EN 1991-1-7
3
Reacties
John Snoeren - Gemeente Den Haag 12 november 2025 14:34
Geachte mevrouw / mijnheer, Graag krijg ik toegang tot het lezen van items zoals hierboven van Cement. Ik ben werkzaam bij Ingenieursbureau van Gemeente Den Haag (IbDH). Met vriendelijke groet, John Snoeren