Staafwerkmodellen5 200986
Staafwerkmodellen
In de serie met rekenvoorbeelden waarin de diverse onderdelen
van de Eurocode 2 worden toegelicht
1
), is het nu de beurt aan
staafwerkmodellen. Met twee voorbeelden, een van een wand-
ligger en een van een console, wordt toegelicht hoe in de
nieuwe norm met deze methodiek moet worden omgegaan.
Rekenvoorbeelden bij Eurocode 2 (6)
ning voor een wand waarvoor geldt l/h = 2: inwendige
hefboomsarm = 0,67h.
Opmerking:
Met VBC art. 8.1.4 voor een statisch bepaalde wandligger volgt
uit z = 0,2l + 0,4h < 0,6 l voor l = 2h een inwendige hefbooms-
arm z = 0,8h.
Uitwerking sterkte
Rekenwaarde van de betondruksterkte (EC2; art. 3.1.6(1) vgl.
(3.15)):
f
ctd
=
?
cc
f
ck
_____
?
c
=
1 ? 25
_____
1,5
= 16,7 N/mm
2
Betonstaal (EC2; art. 3.2.7(2) en tabel 2.1N & NB):
f
yd
=
f
yk
__
?
s
=
500
____
1,15
= 435 N/mm
2
Rekenwaarde van de druksterkte van typen knopen (EC2; art.
6.5.4(4) & NB):
gedrukte knoop:
druk-trekknoop met één verankerde trekstaaf:
druk-trekknoop met meer dan één verankerde trekstaaf:
Rekenvoorbeeld 1 (EC2, par.6.2) - Wandligger
Gegeven is de in figuur 1 getoonde statisch bepaalde wandlig-
ger. Zowel aan de boven- als aan de onderzijde grijpt een gelijk-
matig verdeelde belasting aan.
Uitgangspunten
Geometrie:
lengte wand = 5400 mm;
hoogte wand = 3000 mm;
wanddikte = 250 mm.
De wand wordt ondersteund door kolommen 400 x 250 mm
2
.
De kolommen zijn voorzien van wapening 6Ø20.
Betonsterkteklasse C25/30.
Betonstaal B500.
Het gekozen staafwerkmodel is ook weergegeven in figuur 1.
Drukstaaf C2 bevindt zich 2,0 m boven het zwaartepunt van de
onderwapening. Hierdoor is de inwendige hefboomsarm gelijk
aan degene zoals die wordt gevonden uit een elastische bereke-
1
) De artikelenserie is vertaald en bewerkt door dr.ir.drs. René Braam
(TU Delft, fac. CiTG / Adviesbureau ir. J.G. Hageman BV) en afge-
stemd met Voorschriftencommissie 20.
?
1Rd,max
= k
1
?' f
cd
= k
1
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 1,0 ( 1 ?
25
____
250
)
? 16,7 = 15,0 N/mm
2
?
2Rd,max
= k
2
?' f
cd
= k
2
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 0,85 ( 1 ?
25
____
250
)
? 16,7 = 12,8 N/mm
2
?
3Rd,max
= k
3
?' f
cd
= k
3
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 0,75 ( 1 ?
25
____
250
)
? 16,7 = 11,3 N/mm
2
Staafwerkmodellen 5 2009 87
Opmerking (EC2; art. 6.5.3(4b) & NB):
k
2
= 0,85 mits haarspelden ten behoeve van omsluiting in de
richting loodrecht op het vlak van het staafwerk aanwezig zijn.
Krachten
De gelijkmatig verdeelde belasting is 150 kN/m over de boven-
én de onderkant van de wand.
Kolomkrachten: R = ( 150 + 150 ) ? 5,4/2 = 810 kN
Krachten in de staven
evenwicht voor knoop 1:
C
1
=
ql
__
2
= 405 kN
evenwicht voor knoop 3:
? = arctan
(
2000
_________
1350 ? 200
)
= 60° (fig. 1)
C
3
=
R
____
sin ?
= 935 kN; met R = ql
T
1
= C
3
cos ? =
R
_____
tan ?
= 468 kN
evenwicht voor knoop 2:
C
2
= C
3
cos ? = T
1
= 468 kN
evenwicht voor knoop 4:
T
2
=
ql
__
2
= 405 kN
Verificatie trekstaven
In trekstaaf T
1
is een hoeveelheid betonstaal benodigd die
minimaal gelijk is aan:
A
s1
?
526 ? 10
3
_______
435
= 1209 mm
2
(bijvoorbeeld 6Ø16 = 1206 mm
2
)
Verondersteld wordt dat deze wapening wordt aangebracht in
drie lagen, zodanig dat u = 360 mm (fig. 2 en EC2; fig. 6.27).
Voor trekstaaf T
2
is:
A
s2
?
405 ? 10
3
_______
435
= 931 mm
2
Omdat sprake is van een gelijkmatig verdeelde aan de onder-
zijde van de wandligger aangrijpende belasting, moet deze
wapening gelijkmatig worden verdeeld over de lengte van de
wand. De wapening moet bovenin de wand worden verankerd,
zodat de belasting omhoog wordt gebracht en aangrijpt op de
'drukboog' gevormd door de drukstaven C
2
en C
3
.
Verificatie knopen
Knoop 3
De geometrie van deze knoop (fig. 2) is ondubbelzinnig vastge-
legd door:
? de breedte van de kolom (400 mm);
? de wanddikte (250 mm);
? de afstand u waarover de horizontale wapening van trekstaaf
T
1
is gespreid;
? de breedte en helling van drukstaaf C
3
.
Knoop 3 is een druk-trekknoop met in één richting een veran-
kerde trekstaaf. De betondrukspanning mag de waarde ?
2Rd,max
= 12,8 N/mm
2
niet overschrijden.
Oplegdruk:
?
c1
=
R
_________
b
kolom
h
kolom
=
810 ? 10
3
________
400 ? 250
= 8,1 N/mm
2
? ?
2Rd,max
modellen
1 Vooraanzicht wandligger
2 Detail van trekstaaf T
1
verankerd in knoop 3
(linker oplegging)
Afkortingen
EC2 = NEN-EN 1992-1-1
NB = Nationale Bijlage
5000
1350
2000
200
5400
C1 C1
C2
C3 T2 T2
T1
C3
1
2
3 4
ql ql
a
3000
_1
2ql
_1
2ql
_1
2
ql
_1
2
ql
ql
400
C3
T1
[mm]
608
· cos 30° = 527
360
400 + = 608
tan 60°
360
T
c2
?
c1
60°
21
Staafwerkmodellen5 200988
breedte console = 400 mm;
doosnede kolom = 400 x 400 mm
2
.
Betonsterkteklasse C35/45.
Betonstaal B500.
De kolom wordt belast door een normaalkracht N
Ed
= 1200 kN,
boven de console aangrijpend met een excentriciteit van
100 mm (in fig. 3: links van het hart van de kolom aangrij-
pend). De rekenwaarde van de kracht op de console is F
Ed
=
700 kN, aangrijpend in het zwaartepunt van het oplegvlak
groot 150 x 300 mm
2
.
Onder de console is de drukkracht in de kolom 1200 + 700 =
1900 kN. De excentriciteit van deze kracht ten opzichte van het
hart van de kolom is:
e =
1200 ? 10
3
? 100 ? 700 ? 10
3
? (200 + 125)
________________________________
(1200 + 700) ? 10
3
= -56,6 mm
Staafwerkmodel
Figuur 4 toont het basismodel dat wordt gebruikt als uitgangs-
punt voor het opstellen van het staafwerkmodel. In deze figuur
is de normaalkracht in de kolom gemodelleerd met een druk-
staaf die excentrisch ten opzichte van het zwaartepunt van de
kolom aangrijpt; boven de console met een excentriciteit van
100 mm; onder de console met een excentriciteit van
-56,6 mm.
De console is 400 mm hoog. Verondersteld wordt dat het hart
van de trekwapening zich 40 mm onder het oplegvlak bevindt.
De nuttige hoogte van de kolom is dan d = 360 mm. Uitgegaan
wordt van een inwendige hefboomsarm z = 0,8d = 288 mm. De
kracht in de trekstaaf bovenin de console is:
Opmerking:
Aan de voorwaarde met betrekking tot de oplegdruk wordt al
voldaan als de kolomwapening niet wordt beschouwd.
Spanning in drukstaaf C
3
:
Op het niveau u boven het oplegvlak van de kolom heeft de
drukstaaf een breedte in horizontale richting gelijk aan
400 + 360 / tan60° = 400 + 208 = 608 mm
De breedte van de drukstaaf loodrecht op de lengte-as is
608 · cos30° = 527 mm.
De drukspanning in de drukstaaf is:
?
c2
=
C
3
_________
b
kolom
h
kolom
=
935 ? 10
3
________
527 ? 250
= 7,1 N/mm
2
? ?
2Rd,max
Rekenvoorbeeld 6.2 (EC2, par.6.5) - Korte console
Gegeven in de in figuur 3 getoonde kolom met korte console.
Uitgangspunten
Geometrie:
lengte console = 250 mm;
hoogte console = 400 mm;
F
Ed
a
c
= 125
h
c
= 400
400
400 5050
150
15050
250
250
400
400
100 325
700 kN
1200 kN
1900 kN
56,6
?
_
_
1
3
2
_
+
54
3
Staafwerkmodellen 5 2009 89
3 Aanzicht en dwarsdoorsnede kolom met console (dimensies [mm])
4 Aanzicht en dwarsdoorsnede kolom met console (dimensies [mm])
5 Staafwerkmodel voor kolom met korte console
6 Detail van knoop 2 (dimensies [mm])
druk-trekknoop met meer dan één verankerde trekstaaf:
Opmerking (EC2; art. 6.5.3(4b) & NB):
k
2
= 0,85 mits haarspelden ten behoeve van omsluiting in de
richting loodrecht op het vlak van het staafwerk aanwezig zijn.
Krachten en knoopafmetingen
Afmetingen knoop 1
De verticale drukkracht van 1200 kN uit de kolom maakt
onderdeel uit van een druk-trekknoop met één verankerde
trekstaaf. Met ?
2Rd,max
volgt voor de vereiste breedte van de
drukstaaf:
b =
1200 ? 10
3
________
400 ? 17,0
= 176,5 mm
De drukkracht grijpt aan 100 mm uit het hart van de kolom;
dat is 100 mm uit de zijkant van de kolom. Deze staaf kan dus
tot ontwikkeling komen: 176,5 mm / 2 < 100 mm.
Afmetingen knoop 2
De verticale drukkracht van 1900 kN grijpt aan op een druk-
knoop (?
1Rd,max
). De minimaal vereiste breedte van deze staaf is:
b =
1900 ? 10
3
________
400 ? 20,1
= 236,3 mm
Het zwaartepunt van deze staaf bevindt zich 56,6 mm uit het
zwaartepunt van de kolom. De staaf wordt gesplitst in twee
delen; een deel draagt de 1200 kN uit het bovenste kolomdeel,
het andere deel de 700 kN uit de console. Omdat sprake is van
een constante drukspanning in de drukstaaf, volgt de breedte
van een staafdeel eenvoudig uit het aandeel in de totale kracht
dat het staafdeel opneemt:
F
t
=
(200 ? 56,6 + 125)
_______________
288
? 700 = 652 kN
In figuur 5 is het staafwerkmodel voor de korte console weer-
gegeven.
De hellingshoek van de drukdiagonaal in de console (de hoek ?
in fig. 4) wordt begrensd tot 1,0 < tan ? < 2,5 (EC2; art. J.3(1)),
waaruit volgt: 45,0° < ? < 68,2°.
Omdat de hoogte van de console h
c
= 400 mm en de afstand van
de dag van de kolom tot het aangrijpingspunt van de puntlast a
c
= 125 mm (dus 2,5 a
c
= 313 mm) mag worden verwacht dat de
hellingshoek binnen deze grenzen zal liggen. Dit zal achteraf
worden gecontroleerd. (Voor de notaties zie EC2 fig. J.5.)
Opmerking:
Om de rekenmethodiek toe te lichten, wordt gekozen voor het
uitwerken van het volledige staafwerkmodel. Het is uiteraard
ook mogelijk een beperkte berekening te maken, waarbij de
inwendige hefboomsarm in de console wordt geschat door de
verticale afstand tussen enerzijds de knopen 1 en 2 en ander-
zijds knoop 3 te schatten. Uiteraard moet in zo'n toetsende
berekening wel achteraf worden gecontroleerd of de werkelijke
knoopafmetingen en de geschatte hefboomsarm met elkaar in
overeenstemming zijn. De hierbij aan te houden schematise-
ringswijze zal nog worden besproken (fig. 9; zijnde fig. J.5 uit
bijlage J van EC2).
Uitwerking sterkte
Rekenwaarde van de betondruksterkte (EC2; art. 3.1.6(1) vgl.
(3.15)):
f
ctd
=
?
cc
f
ck
_____
?
c
=
1 ? 35
_____
1,5
= 23,3 N/mm
2
Betonstaal (EC2; art. 3.2.7(2) en tabel 2.1N & NB):
f
yd
=
f
yk
__
?
s
=
500
____
1,15
= 435 N/mm
2
Rekenwaarde van de druksterkte van typen knopen (EC2; art.
6.5.4(4) & NB):
gedrukte knoop:
druk-trekknoop met één verankerde trekstaaf:
b
2
= 149,2
?
1Rd,max
h
2
b
1
= 87,1
b = 263,3
??
6
?
1Rd,max
= k
1
?' f
cd
= k
1
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 1,0 ( 1 ?
35
____
250
)
? 23,3 = 20,1 N/mm
2
?
2Rd,max
= k
2
?' f
cd
= k
2
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 0,85 ( 1 ?
35
____
250
)
? 23,3 = 17,0 N/mm
2
?
3Rd,max
= k
3
?' f
cd
= k
3
( 1 ?
f
ck
____
250
) f
cd
= 0,75 ( 1 ?
35
____
250
)
? 23,3 = 15,0 N/mm
2
Staafwerkmodellen5 200990
F
H,max
= 400 h
2
?
1Rd,max
Uiteraard mag ook de spanning in de schuine staaf zelf de
toelaatbare spanning niet overschrijden:
? =
F
_______
400 b
staaf
De breedte van de staaf loodrecht op de lengteas van de staaf
volgt uit de geometrie van het geheel.
Knoop 2:
b
staaf,2
=
??
______
b
2
1
+ h
2
2
ter plaatse van de aansluiting op knoop 2.
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is:
? = arctan
(
h
2
__
b
1
)
Omdat de drukstaaf een hoek ? met de horizontaal maakt,
moet de berekende b
staaf,2
worden gecorrigeerd om de staaf-
breedte loodrecht op de staafas (b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,2
sin(? + ?)
Knoop 3:
b
staaf,3
=
??
_________
150
2
+ 80
2
= 170 mm ter plaatse van knoop 3.
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is:
? = arctan
(
80
____
150
)
= 28,1°
Ook nu moet de berekende b
staaf,3
worden gecorrigeerd om de
staafbreedte loodrecht op de staafas (b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,3
sin(? + ?)
b
2
=
1200 ? 10
3
________
1900 ? 10
3
? 236,3 = 149,2 mm
b
1
=
700 ? 10
3
________
1900 ? 10
3
? 236,3 = 87,1 mm
De minimumhoogte van het knooppunt volgt uit de voor-
waarde dat nergens in de knoop de toelaatbare spanning ?
1Rd,max
mag worden overschreden. De knoop wordt gesplitst in twee
driehoeken (fig. 6). De horizontaal gerichte spanning op het
verticale scheidingsvlak tussen beide driehoeken mag niet
groter zijn dan ?
1Rd,max
. Omdat nog niet bekend is hoe groot de
horizontale kracht is die moet worden overgedragen, kan de
minimumhoogte nog niet worden berekend. Daarom wordt
deze gelijk gesteld aan h
2
. De bovengrens van de horizontale
kracht die kan worden overgedragen is:
F
H,max
= 400 h
2
?
1Rd,max
Afmetingen knoop 3
De verticale kracht van 700 kN grijpt aan op een trek-druk-
knoop (?
2Rd,max
). Gecontroleerd wordt of de afmetingen van het
oplegvlak voldoen:
De sterkte van de drukstaaf die knopen 2 en 3 verbindt, wordt
bepaald door de sterkte van knoop 3, een trek-drukknoop met
één verankerde trekstaaf.
Knoop 3 heeft een breedte gelijk aan de breedte van het opleg-
vlak, 150 mm. De hoogte van de knoop wordt bepaald door de
geometrie van de trekwapening: omdat wordt gekozen voor
wapening waarvan het zwaartepunt 40 mm onder het boven-
vlak van de console is gelegen, is de hoogte van de knoop
80 mm.
Drukstaaf tussen knopen 2 en 3
Uit geometrie-overwegingen (fig. 7) volgt nu de hellingshoek
van de drukstaaf tussen knopen 2 en 3:
tan ? =
400 ? 40 ? ½ h
2
______________
½ b
1
+ 25,3 + 125
Uit verticaal krachtenevenwicht in knoop 3 volgt de grootte
van de kracht in deze drukstaaf:
F =
700 ? 10
3
_______
sin ?
De horizontale component van deze kracht moet in knoop 2
kunnen worden opgenomen. Eerder was gevonden dat de
opneembare kracht wordt begrensd door de hoogte h
2
van de
knoop:
?
?
?
75 75
125
25,3
250
3
2
_1
2h
_1
2b
_1
2b
_1
2h
7
? =
F
Ed
________
150 ? 300
=
700 ? 10
3
________
150 ? 300
= 15,6 N/mm2 ? ?
2Rd,max
= 17,0 N/mm
2
Staafwerkmodellen 5 2009 91
7 Afmetingen van knopen 2 en 3 en de daaruit af te leiden hel-
ling van de drukstaaf tussen beide knopen (dimensies [mm])
8 Afmetingen van knopen 1 en 2 en de daaruit af te leiden hel-
ling van de drukstaaf tussen beide knopen (dimensies [mm])
De hellingshoek van de drukstaaf is 58° en voldoet daarmee
aan de eerder vermelde eis dat moet gelden: 1,0 < tan? < 2,5
(EC2; art. J.3(1)) oftewel: 45,0° < ? < 68,2°.
Controle knoop 3
In deze knoop moet de horizontale trekkracht worden veran-
kerd. Nu de helling van de drukstaaf in de console bekend is,
kan deze kracht eenvoudig worden berekend:
F
H
= F cos ? = 825 ? 1 0
3
? cos 58° = 437 ? 10
3
N
Deze kracht moet over de hoogte van knoop 3 (80 mm)
kunnen worden verankerd:
? =
437 ? 10
3
________
80 ? 400
= 13,7 N/mm
2
? ?
2Rd,max
, dus voldoet.
Bij een staalspanning f
yd
= 435 N/mm
2
is benodigd:
A
s
=
437 ? 10
3
_______
435
= 1005 mm
2
Toegepast kunnen worden drie staven Ø16 mm die onder het
oplegvlak van de console worden omgebogen, zodanig dat zij
in de console dubbelsnedig aanwezig zijn (A
s
= 1206 mm
2
).
Controle knoop 1
In knoop 1 komen de verticale kolomkracht (1200 kN) en de
horizontale trekkracht (437 kN) samen. Eerder is gebleken dat
voor de verticale kracht een horizontale staafbreedte van
176,5 mm volstaat om ?
2Rd,max
niet te overschrijden. De breedte
van de knoop wordt hiermee vastgelegd op 176,5 mm. De
hoogte van de knoop wordt gelijkgesteld aan 80 mm; bij het
analyseren van knoop 3 was vastgesteld dat deze hoogte
De toelaatbare spanningen zijn verschillend omdat sprake is van
twee verschillende typen knopen; ?
1Rd,max
respectievelijk ?
2Rd,max
voor knoop 2, respectievelijk knoop 3.
Gekozen wordt h
2
= 100 mm.
Dan is
tan ? =
400 ? 40 ?
100
____
2
_________________
½ ? 87,1 + 25,3 + 125
= 1,60
waaruit volgt: ? = 58,0°.
De kracht in de schuine drukstaaf is F = 700 kN / sin58° = 825 kN.
De horizontale component van deze kracht (F cos58° = 437 kN)
moet kunnen worden opgenomen in knoop 2:
F
H,max
= 400 h
2
?
1Rd,max
= 400 ? 100 ? 20,1 = 804 ? 10
3
N,
dus voldoet.
Aansluiting op knoop 2:
b
staaf,2
=
??
______
b
2
1
+ h
2
2
= ??
__________
87,1
2
+ 100
2
= 133 mm
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is:
? = arctan
(
h
2
___
b
1
)
= arctan (
100
____
87,1
)
= 48,9°
Corrigeer de berekende b
staaf,2
om de staafbreedte loodrecht op
de staafas (b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,2
sin(? + ?) = b
staaf,2
sin(48,9 + 58,0) = 0,96 b
staaf, 2
De spanning in de drukdiagonaal ter plaatse van het aansluitvlak
met knoop 2 is:
? = 825·10
3
/ (400 ? 0,96?133) = 16,2 N/mm
2
< ?
1Rd,max
Aansluiting op knoop 3:
b
staaf,3
= 170 mm;
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is eerder berekend:
? = 28,1°
Corrigeer de berekende b
staaf,3
om de staafbreedte loodrecht op
de staafas (b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,3
sin(? + ?) = b
staaf,3
sin(28,1 + 58,0) = 1,00 b
staaf, 3
? = 825 · 10
3
/ (400 ? 1,00 ? 170) = 12,1 N/mm
2
< ?
2Rd,max
100
80
176,5
100
hartlijn kolom
?
?
?
2
1
_1
2h
_1
2h
_1
2b
_1
2b
8
Staafwerkmodellen5 200992
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is:
? = arctan
(
80
_____
176,5
)
= 24,4°
Corrigeer b
staaf,1
om de staafbreedte loodrecht op de staafas
(b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,1
sin (? + ?) = b
staaf,1
sin (24,4 + 70,0) = 1,00 b
staaf,1
Ook voor deze drukstaaf zijn de toelaatbare spanningen
verschillend omdat sprake is van twee verschillende typen
knopen; ?
1Rd,max
respectievelijk ?
2Rd,max
voor knoop 2, respectie-
velijk knoop 1.
De kracht in de schuine drukstaaf is F = 1277 kN.
Bij het controleren van de schuine drukstaaf in de console is
reeds aangetoond dat de horizontale component van deze
kracht (F cos70° = 437 kN) kan worden opgenomen in knoop 2
als h
2
= 100 mm.
Aansluiting op knoop 2:
b
staaf,2
= 180 mm
b
staaf
= 0,97 b
staaf,2
De spanning op het aansluitvlak met knoop 2 is:
? = 1277·10
3
/ (400 ? 0,97 ? 180) = 18,3 N/mm
2
< ?
1Rd,max
volstaat om de horizontale trekstaaf te laten voldoen aan het
spanningscriterium (?
2Rd,max
). In figuur 8 is nu aangegeven hoe
de afmetingen van knopen 1 en 2 de hellingshoek en breedte
van de drukstaaf tussen beide knopen bepalen.
Drukstaaf tussen knopen 1 en 2
Voor de hellingshoek van de drukstaaf geldt:
tan ? =
400 ? 40 ? ½ h
2
_______________________
400 ? 100 ? 25,3 ? b
1
? ½ b
2
=
310
____
113
= 2,74
? = 70,0°
Deze hoek moet ook kunnen worden berekend uit de hellings-
hoek van de resultante van de verticale drukkracht van
1200 kN en de horizontale trekkracht van 437 kN die in knoop
1 samenkomen:
? = arctan
(
1200
_____
473
)
= arctan(2,75) = 70,0°; correct.
De kracht in de drukstaaf is:
F =
??
___________
1200
2
+ 473
2
= 1277 kN
De spanning in de schuine staaf mag de toelaatbare spanning
niet overschrijden:
? =
F
_______
400 b
staaf
Bepaal de breedte van de staaf loodrecht op de lengteas van de
staaf weer uit de geometrie van de knopen.
Knoop 2:
b
staaf,2
=
??
______
b
2
2
+ h
2
2
= ??
___________
149,2
2
+ 100
2
= 180 mm ter plaatse van de
aansluiting op knoop 2.
De hoek tussen dit vlak en de horizontaal is:
? = arctan
(
h
2
__
b
2
)
= arctan (
100
_____
149,2
)
= 33,8°
Corrigeer b
staaf,2
om de staafbreedte loodrecht op de staafas
(b
staaf
) te vinden:
b
staaf
= b
staaf,2
sin (? + ?) = b
staaf,2
sin (33,8 + 70,0) = 0,97 b
staaf,2
Knoop 1:
b
staaf,1
=
??
___________
176,5
2
+ 80
2
= 194 ter plaatse van knoop 1.
a
c
a
F
Ed
F
Ed
F
c1
F
c2
F
c3
F
wd
h
c
F
t
x
1
F
c
y
1
d
z
2
1
_1
2
a
_1
2
a
9
Staafwerkmodellen 5 2009 93
9 Staafwerkmodel voor kolom met korte con-
sole (EC2; fig. J.5)
10 Twee statisch bepaalde staafwerkmodellen
voor de kolom met korte console waaruit
het staafwerkmodel uit figuur 9 (EC2; fig. J.5)
is opgebouwd
In voorgaande berekening is gevonden:
F
t
= F
c
= 437 kN.
Met z = 400 ? 40 ? 0,5h
2
= 400 ? 40 ? 0,5 · 100 = 310 mm en
a = a
c
+ 25,3 + 0,5b
1
= 125 + 25,3 + 43,6 = 194 mm is dan:
F
wd
=
2 ·
310
____
194
? 1
_________
3 +
700
____
437
· 437 = 0,48 · 437 = 210 kN
Voor f
yd
= 435 N/mm
2
is A
s
= 483 mm
2
. Pas bijvoorbeeld toe 5
dubbelsnedige beugels Ø8 mm (A
s
= 503 mm
2
).
Opmerking:
In voorgaande berekeningen zijn de uitdrukkingen voor de
hellingshoeken van de drukstaven in de console en de kolom
ter illustratie geheel uitgeschreven als functies van de hoogte
h
2
van de drukknoop onderin de kolom. Het is uiteraard ook
mogelijk de afmetingen van de knopen te schatten, de helling
van de staven vast te stellen en de spanningen in staven en
knopen te controleren. Zo'n controle verloopt nog eenvoudi-
ger als het mogelijk is loodrechte hoeken te kiezen tussen de
lengteas van een staaf en het knoopvlak waarop deze
aangrijpt. Dan is namelijk de breedte van de staaf gemeten
loodrecht op de lengteas van de staaf gelijk aan de lengte van
het knoopvlak. In de praktijk is het meestal niet mogelijk
voor alle staven hieraan te voldoen. Het rekenvoorbeeld toont
dat dit niet loodrecht aansluiten van een staaf op een knoop-
vlak meestal geen grote consequenties heeft bij de spannings-
controle; het corrigeren van de breedte van de staaf leidt tot
slechts geringe aanpassingen.
?
Aansluiting op knoop 1:
b
staaf,1
= 194 mm
b
staaf
= 1,00 b
staaf,1
De spanning op het aansluitvlak met knoop 1:
? = 1277 · 10
3
/ (400 ? 1,00 ? 194) = 16,5 N/mm
2
< ?
2Rd,max
In figuur 9 is aangegeven hoe de korte console moet worden
gewapend (EC2; art. J.3(2)): Aanvullend op de hoofdtrekwape-
ning (F
t
in figuur) moeten gesloten horizontale of schuine
beugels worden aangebracht (F
wd
in figuur). De oppervlakte
van de dwarsdoorsnede van deze wapening moet minimaal
25% van de hoofdwapening bedragen (NB).
In dit voorbeeld met A
s,main
= 1005 mm
2
is de aanvullende
wapening dan A
s,lnk
> 251 mm
2
(bijvoorbeeld 3 dubbelsnedige
beugels Ø8 = 302 mm
2
).
Het in figuur 9 getoonde staafwerkmodel is statisch onbepaald;
de staafkrachten zijn niet direct uit knoopevenwicht af te
leiden. Het model is een combinatie van twee statisch bepaalde
staafwerkmodellen (fig. 10). Door te bepalen welk aandeel
beide modellen hebben in de opname van de kracht op de
console, kunnen alle staafkrachten worden berekend. Om deze
rekenintensieve excercitie te vermijden, is een uitdrukking
afgeleid waarmee deze aandelen zijn te bepalen.
In plaats van te wapenen op basis van een vaste waarde F
wd
=
0,25F
t
moet dan worden gewapend op basis van de verhouding
tussen deze beide krachten. De volgende uitdrukking wordt
voorgesteld:
F
wd
=
2
z
__
a
? 1
_______
3 +
F
Ed
___
F
c
F
c
a a
F'
Ed
F''
Ed
F'
Ed
F
c2
F''
Ed
F
c1
F
c3
F
wd
F'
t
F''
t
F'
c
F''
c
d
d
z
z
2 2
3
1 1
?
? ?
?
h
) F
diag
h
F
diag
(1 -
? ?
_1
2
a
_1
2
a
_1
2
a
_1
2
a
10
Reacties