Stabiliteit3 201086
Stabiliteit
Art. 5.8 van Eurocode 2 bespreekt hoe tweede-orde-effecten bij aanwezig-
heid van axiale belastingen in rekening moeten worden gebracht. In dit
artikel komen achtereenvolgens de kniklengte van afzonderlijke elemen-
ten en rekenmethoden voor het vaststellen van het tweede-ordemoment
aan bod. Het artikel is een onderdeel van een serie met rekenvoorbeel-
den
1
), waarin de diverse onderdelen van de Eurocode 2 worden toegelicht.
Rekenvoorbeelden bij Eurocode 2 (12)
dr.ir.drs. René Braam
TU Delft, fac. CiTG / Adviesbureau ir. J.G. Hageman BV
de stijfheid van de eventueel aanwezige rotatieveren aan de
uiteinden van het element?
Figuur 1 geeft enkele effectieve lengten voor standaardsituaties.
Uitdrukkingen worden gegeven om de effectieve lengte in alge-
mene situaties te berekenen: EC2 vgl. (5.15) voor geschoorde
elementen; EC2 vgl. (5.16) voor ongeschoorde elementen. In
figuur 2 is een raamwerk gegeven waarmee de EC2-uitdrukkin-
gen worden toegelicht.
De uitdrukkingen die worden gehanteerd, zijn afkomstig uit de
staalbouw en zijn in de jaren 50 van de vorige eeuw afgeleid.
Een belangrijk aspect hierbij is de aangenomen uitbuigings-
vorm van de stijlen en regels in het raamwerk:
Geschoord element
Bij een geschoord element wordt de uitbuigingsvorm zoals
getoond in figuur 3 aangehouden (s = stijl; r = regel). De
invloed van de in een knoop aansluitende constructiedelen die
bijdragen aan de rotatiestijfheid van dat knooppunt, wordt
gerepresenteerd door een rotatieveer. In EC2 is voor het weer-
geven van de karakteristiek van de veer gekozen voor een rela-
tieve flexibiliteit: de buigstijfheid van de kolom ten opzichte
van de buigstijfheid van de regel(s):
k =
EI
___
C l
waarin:
EI is de buigstijfheid van de kolom;
l is de lengte van de kolom;
C is de rotatiestijfheid van een aansluiting van de kolom.
Een benaderende uitdrukking voor de kniklengte (EC2 vgl.
(5.15)):
Slankheid en effectieve lengte van afzonderlijke
elementen (EC2 art. 5.8.3.2)
De slankheid van een element wordt gedefinieerd in EC2 vgl.
(5.14):
? =
l
0
__
i
waarin l
0
is de effectieve lengte en i is de traagheidsstraal van de
doorsnede:
i =
?
?
__
I
__
A
Voor een rechthoekige doorsnede:
i =
?
?
_______
1/12 bh
3
_______
bh
=
h
___
??
___
12
Bij het berekenen van de effectieve lengte ('kniklengte') zijn de
randvoorwaarden van het gedrukte element van invloed:
betreft het een geschoord of een ongeschoord element en wat is
1
) De eerste 11 delen uit de artikelenserie zijn uit het Engels vertaald en bewerkt
door dr.ir.drs. René Braam (TU Delft, fac. CiTG / Adviesbureau ir. J.G. Hageman
BV). Dit 12e artikel is geheel opgesteld door dr.ir.drs. René Braam en afgestemd
met Voorschriftencommissie 20.
Afkortingen
EC2 = NEN-EN 1992-1-1
NB = Nationale Bijlage
Stabiliteit 3 2010 87
a) l
0
= l b) l
0
= 2l c) l
0
= 0,7l d) l
0
= l / 2 e) l
0
= l f ) l / 2 < l
0
< l g) l
0
> l
l
1
2
?
?
?
?
l1 l2 l3
ll lr
EIbl EIbr
EIal EIar
k2
k1
lkolom
lR
EIR
EI EI S
k2
k1
lR
MR = --------
= 1
EIR
2EIR
lR
k2
= 1
MR = --------
= 1
3EIR
lR
MR = --------
= 1
4EIR
lR
?
?
?
?
1
2 3 4
EI
l
0
= 0,5l
?
?
________________________
( 1 +
k
1
________
0,45 + k
1
)
( 1 +
k
2
________
0,45 + k
2
)
waarin (fig. 2):
l is de vrije lengte van het element tussen eindaansluitingen
k
1
is de relatieve flexibiliteit aan uiteinde 1. In achtergronddo-
cumenten wordt hiervoor vaak aangehouden:
k
1
=
(
EI
__
l
1
)
kolom 1
+ (
EI
__
l
2
)
kolom 2
_________________
2
EI
al
___
l
l
+ 2
EI
ar
___
l
r
als de bovengelegen kolom 1
bijdraagt aan de rotatie bij knik
k
2
is de relatieve flexibiliteit aan uiteinde 2:
k
2
=
(
EI
__
l
2
)
kolom 2
+ (
EI
__
l
3
)
kolom 3
_________________
2
EI
bl
___
l
l
+ 2
EI
br
___
l
r
als de ondergelegen kolom 3
bijdraagt aan de rotatie bij knik
De achtergrond van de factor '2' in de noemer voor de uitdruk-
kingen van de relatieve flexibiliteit is toegelicht in figuur 4.
Uit figuur 4 is af te lezen (bovenaan) dat bij stijve knooppunten
in een geschoord raamwerk, de bijdrage van een regel aan de
knoopstijfheid evenredig is met:
2 (EI)
regel
________
l
regel
Deze bijdrage volgt uit de verhouding tussen het moment op de
knoop en de rotatie van de knoop:
C =
M
__
?
=
M
________________
M l
regel
_______
3 (EI)
regel
+
M l
regel
_______
6 (EI)
regel
=
2( EI)
regel
_______
l
regel
In deze situatie wordt de geringste rotatiestijfheid van de knoop
gevonden, omdat de beide momenten aan het uiteinde van de
regel een elkaar versterkende invloed op de rotatie van de
knoop kolom-regel hebben.
Als één van de twee verbindingen van de regel met de twee
kolommen scharnierend is, ontstaat de situatie van de statisch
bepaalde ligger aan één uiteinde belast, het andere uiteinde
scharnierend verbonden (fig. 4, midden). De rotatiestijfheid is
het grootst als het andere uiteinde van de regel oneindig stijf is
ingeklemd (fig. 4, onder).
1 Knikvormen en kniklengte l
0
van
afzonderlijke elementen, zowel
geschoord (a, c, d, f ) als onge-
schoord (EC2 fig. 5.7)
2 De nader te beschouwen kolom
(2) in een geschoord of onge-
schoord raamwerk. Geheel rechts
de schematisatie van de kolom
waarbij de invloed van de buig-
stijfheid van de regels is meege-
nomen door rotatieveren
3 Geschoord element (s) met
rotatieveren aan de uiteinden.
Uitbuigingsvorm bij een
ge schoord raamwerk
4 Het moment veroorzaakt aan de
voet van een kolom door een
eenheids-hoekverdraaiing ter
plaatse van de aansluiting op een
regel in een geschoord raamwerk.
Vanaf boven drie schematiserin-
gen voor de regel: twee stijve
hoeken; een stijve hoek en een
scharnierend uiteinde en een
stijve hoek en een oneindig stijf
ingeklemd uiteinde
Stabiliteit3 201088
lkolom
lR
EIR
EI EI S
l
R
EI
R
M
R
= 6 --------
= 1
EI
R
l
R
= 1?
?
5 5
Bij het ongeschoorde raamwerk is de bijdrage van de stijfheid van
de regel dus relatief groot: de knoopmomenten die aan weerszij-
den op een regel werken, hebben een tegengestelde invloed op
een hoekverdraaiing aan een knoop-uiteinde van de regel.
Opmerking:
De theorie voor de kniklengte van een element in een onge-
schoord raamwerk sluit aan op die van de uit de VBC bekende
'kruisjesmethode':
1 - stijfheid van de regels:
In de VBC (fig. 43 & 44) worden de afmetingen van een kruisje
gebaseerd op de ligging van de momentennulpunten in regels
en stijlen. VBC fig. 42 toont het schema voor de verend inge-
klemde staaf. De veerconstante van de inklemming is (VBC art.
7.7.2.2):
c =
3
( EI )
da
______
l
a
+
3
( EI )
db
______
l
b
In de VBC-uitdrukking moet voor de liggerlengte worden
aangehouden de afstand van de inklemming tot het aangeno-
men scharnier. Als wordt aangenomen dat dit nulpunt halver-
wege de liggerlengte aanwezig is, wordt dezelfde uitdrukking
verkregen als die wordt gevonden in de EC2-achtergronddocu-
menten. Eigenlijk biedt de VBC een nog breder toepasbare
uitdrukking, omdat de ligging van de momentennulpunten
variabel is.
2 - stijfheid van de stijlen
In EC2 moet de invloed van een aansluitend gedrukt element dat
in een knooppunt bijdraagt aan de rotatie bij knik van het
beschouwde element worden meegenomen (EC2 art. 5.8.3.2 (4)).
Dit verklaart waarom eerder in de uitdrukkingen voor de rotatie-
flexibiliteiten k
1
en k
2
de invloed van de boven respectievelijk
onder gelegen kolom is meegenomen (zie fig. 1). Het gevolg is
dat de rotatieflexibiliteit wordt vergroot en, als gevolg daarvan,
de kniklengte toeneemt. Eigenlijk wordt op deze wijze de stijf-
heid van de verbinding met de regels verdeeld over de twee in de
knoop aansluitende kolommen. Het verdelen vindt plaats op
Bij het invoeren van de buigstijfheid van de regel moet reke-
ning worden gehouden met de invloed van scheurvorming op
de buigstijfheid. Dit is alleen dan niet vereist, als wordt aange-
toond dat het betreffende element in de UGT ongescheurd is
(EC2 art. 5.8.3.2 (5)). EC2 geeft geen rekenregels voor de buig-
stijfheid van een gescheurde regel. Hiertoe kan tabel 15 van de
VBC worden aangehouden.
Ongeschoord element
Een ongeschoord element vertoont een uitbuigingsvorm zoals
getoond in figuur 5.
De kniklengte is bij benadering (EC2 vgl. (5.16)):
l
0
= l · max
[
?
?
___________
1 + 10
k
1
k
2
______
k
1
+ k
2
; ( 1 +
k
1
_______
1,0 + k
1
)
( 1 +
k
2
_______
1,0 + k
2
)
]
k
1
=
(
EI
__
l
1
)
kolom 1
+ (
EI
__
l
2
)
kolom 2
_________________
6
EI
al
___
l
l
+ 6
EI
ar
____
l
r
als de bovengelegen kolom
bijdraagt aan de rotatie bij knik
k
2
is de relatieve flexibiliteit aan uiteinde 2:
k
2
=
(
EI
__
l
2
)
kolom 2
+ (
EI
__
l
3
)
kolom 3
_________________
6
EI
bl
___
l
l
+ 6
EI
br
___
l
r
als de ondergelegen kolom bijdraagt
aan de rotatie bij knik
In figuur 6 is de achtergrond van de factor '6' in de noemer van
de uitdrukkingen voor de relatieve flexibiliteiten toegelicht.
Bij stijve knooppunten in een ongeschoord raamwerk is de
bijdrage van een regel aan de knoopstijfheid evenredig met:
6 (EI)
regel
_______
l
regel
hetgeen volgt uit:
C =
M
__
?
=
M
________________
M l
regel
_______
3 ( EI )
regel
?
M l
regel
_______
6(E I)
regel
=
6(E I)
regel
_______
l
regel
Stabiliteit 3 2010 89
M
02
219
M
01
204
7
5 Uitbuigingsvorm van een onge-
schoord element met rotatieve-
ren aan de uiteinden
6 Momenten veroorzaakt door
een eenheids-hoekverdraaiing in
de aansluitingen kolom-regel
van een ongeschoord raamwerk
7 Eerste-ordemomentenverloop
over de hoogte van de kolom
(in kNm)
De gemiddelde wapeningsverhouding over de lengte van de
regel (VBC art. 7.2.3):
omdat ?
_
steunpunt
= 2 ?
_
veld
is ?
_
= 1,5 ?
_
veld
De fictieve elasticiteitsmodulus van de regel (VBC tabel 15):
E
f,regel
= 3100 +6700 ?
_
= 3100 + 6700 · (1,5 · 0,6) = 9130 N/m m
2
Buigstijfheid van de regel:
EI
f,regel
= 9130 ·
1
___
12
· 1200 · 3 00
3
= 24,7 · 1 0
12
N/m m
2
Bereken de kolomstijfheid op basis van een geschatte wape-
ningsverhouding van 2%.
Met VBC tabel 15:
?
n
=
N
Ed
__________
A
c
?
cd
+ A
s
?
yd
=
4766 · 1 0
3
__________________________
45 0
2
· 0,6 · 45 + 0,02 · 45 0
2
· 435
= 0,66
Opmerking: Omdat de uitdrukkingen in VBC tabel 15 zijn
afgeleid voor de rekenwaarde van de betondruksterkte volgens
de VBC, is die waarde aangehouden (0,6 · 45 = 27,0 N/mm
2
).
Het verschil met EC2 is beperkt omdat die voor deze sterkte-
klasse geeft: 45 / 1,5 = 30,0 N/mm
2
.
Fictieve elasticiteitsmodulus van de kolom:
E
?,kolom
= (21300 + 4950 ?
_
) (1 ? ? ?
n
)
= (21300 + 4950 · 2) (1 ? ? · 0,66) = 17,5 · 1 0
3
N/m m
2
Relatieve flexibiliteit aan een uiteinde van de kolom:
k
1
=
(
EI
__
l
1
)
kolom 1
+ (
EI
__
l
2
)
kolom 2
_________________
2
EI
al
___
l
l
+ 2
EI
ar
___
l
r
=
2 ·
17,5 · 1 0
3
· 1/12 · 4 50
4
__________________
4200
____________________
4 ·
24,7 · 1 0
12
________
7200
= 2,1
Omdat beide knopen aan de kolomeinden (aansluitingen met
de regels) identiek zijn, is ook k
2
= 2,1.
De kniklengte van de kolom:
l
0
= 0,5l
?
?
________________________
( 1 +
k
1
________
0,45 + k
1
)
( 1 +
k
2
________
0,45 + k
2
)
=
0,5l
?
?
______________
( 1 +
2,1
________
0,45 + 2,1
)
2
= 0,91l
basis van de verhouding tussen de kolomstijfheden EI / l.
In de VBC vindt dit ook plaats, zij het dat een volledig kruisje
(fig. 44) wordt gesplitst in twee halve kruisjes (fig. 42) waarbij
de veerconstante van de inklemming in de regels wordt
verdeeld op basis van de verhouding tussen de eerste-orde-
momenten in de twee aansluitende kolommen ter plaatse van
de beschouwde knoop. Omdat de grootte en onderlinge verho-
ding van deze momenten evenredig zal zijn met de kolomstijf-
heden en hun onderlinge verhouding, is dus ook hier sprake
van een aansluiting tussen EC2 en de VBC.
Rekenvoorbeeld: kolom in geschoord raamwerk
Gegevens
Stijlen
kolommen 450 mm x 450 mm
ligging van de tweezijdig symmetrische wapening in de door-
snede: a / h = 0,1
hoogte 4200 mm (verdiepinghoogte; hart-op-hartafstand van
de vloeren)
rekenwaarden:
kolommomenten (zie fig. 7) (inclusief de momenten t.g.v.
geometrische imperfecties (EC2 art. 5.2)):
bovenin: M
01
= 204 kNm
onderin: M
02
= 219 kNm
normaalkracht: N
Ed
= 4766 kN
Regels
rechthoekige balken, 1200 mm breed en 300 mm hoog.
lengte (hart-op-hartafstand van de kolommen): 7,2 m
wapening: 0,6% in velddoorsnede (onderin); 1,2% in de steun-
puntsdoorsnede (bovenin), beiden ten opzichte van de volle-
dige betondoorsnede.
Betonsterkteklasse C35/45
effectieve kruipcoëfficiënt: ?
ef
= 1,0
Buigstijfheid van de regels:
Met de VBC art. 7.2.3 met n = 2 (doorgaande ligger) is het
kwadratisch oppervlaktemoment van de regels:
I = ½ I
v
+ ½ I
s
Omdat I
v
= I
s
volgt dat I =
1
___
12
b h
3
.
Stabiliteit3 201090
M
01
M
01
M
02
M
02
eerste-orde
moment totaal
moment
gelijkwaardig
totaal moment
gelijkwaardig
eerste- orde
moment
8 9
A
c
is de oppervlakte van de ongescheurd veronderstelde
betondoorsnede
?
lim
=
20ABC
______
??
__
n
(EC2 vgl. 5.13)
waarin (EC2 art. 5.8.3.1 (2)):
A =
1
________
1 + 0,2 ?
e?
?
ef
is de effectieve kruipcoëfficiënt; ?
e?
= ?
( ?, t
0
)
M
0Eqp
_____
M
0Ed
(EC2 vgl. 5.19)
?(?,t
0
) is de eindwaarde van de kruipcoëfficiënt (EC2 art.
3.1.4)
M
0Eqp
is het eerste-orde buigend moment in de quasi-blij-
vende belastingscombinatie (G + ?
2
Q)
M
0Ed
is het eerste-orde buigend moment in de uiterste grens-
toestand (UGT; ?
G
G + ?
Q
Q)
B =
??
______
1 + 2? =
?
?
_________
1 + 2
A
s
?
yd
_____
A
c
?
cd
A
s
is de totale oppervlakte van de doorsnede van de langs-
wapening
C = 1,7 ? r
m
= 1,7 ?
M
01
____
M
02
voor een geschoord element
M
01
, M
02
zijn de eerste-orde eindmomenten (dus
incl. het moment door imperfecties) waarbij
| M
02
| ? | M
01
|
Als de eindmomenten M
01
en M
02
aan dezelfde zijde
trek geven, moet r
m
positief worden genomen (zodat C
? 1,7), anders negatief (zodat C > 1,7)
C = 0,7 voor een ongeschoord element
n =
N
Ed
_____
A
c
?
cd
, de relatieve normaalkracht
Als aan de voorwaarde met betrekking tot de limietwaarde
voor de slankheid wordt voldaan, mag worden aangenomen dat
het tweede-orde-effect kleiner is dan 10% van het eerste-orde
effect. Tweede-orde-effecten kleiner dan 10% kunnen volgens
EC2 art. 5.8.2 (6) worden verwaarloosd.
Uit dit resultaat is te zien dat de regels relatief buigslap zijn ten
opzichte van de kolom; de kniklengte is slechts 9% kleiner dan
de lengte van de kolom (de kniklengte als de aansluitingen met
de regels aan beide uiteinden van de kolom scharnierend
zouden zijn).
Opmerking:
Bij het berekenen van de kniklengte mag volgens EC2 worden
uitgegaan van de vrije lengte tussen de eindaansluitingen. In dit
rekenvoorbeeld is dat de verdiepinghoogte minus de dikte van
de regel (4,2 - 0,3 = 3,9 m). In dit rekenvoorbeeld wordt de
verdiepinghoogte aangehouden.
l
0
= 0,91l = 0,91 · 4,2 · 10
3
= 3,8 · 10
3
mm
De slankheid van de kolom:
? =
l
0
__
i
=
??
___
12
___
h
l
0
=
??
___
12
____
450
· 3,8 · 1 0
3
= 29,4
Controleer of een tweede-ordeberekening moet
worden uitgevoerd
Op druk belaste gewapende, niet-voorgespannen geschoorde
en ongeschoorde elementen behoeven niet op tweede-ordemo-
menten te worden berekend, indien wordt voldaan aan:
? ? ?
lim
(EC2 art. 5.8.3.1 (1))
waarin:
? =
l
0
__
i
(EC2 vgl. 5.14)
l
0
is de effectieve lengte of kniklengte (EC2 art. 5.8.3.2)
i is de traagheidsstraal van de doorsnede in de beschouwde
buigingsrichting; i =
?
?
___
I
c
___
A
c
I
c
is het traagheidsmoment van de ongescheurd veronder-
stelde betondoorsnede om de beschouwde buigingsas
8 Eerste-orde en totaal momentverloop
(midden) over de hoogte van een kolom
met verschillende eerste-orde eindmo-
menten (links). Rechts de benadering
met gelijkwaardige momenten.
9 Onderscheiden eerste-ordemomenten-
verdelingen over de hoogte van een ele-
ment. Bijbehorende waarde van c
0
(van
links naar rechts): 8; 9,8 ; ?
2
en 12.
Stabiliteit 3 2010 91
M
02
219 kNm
M
01
204 kNm 2 kNm
2 kNm
l
0,91 l
-- l
1
8
-- M
2
1
2
-- M
2
1
2
-- l
1
8
-- l
3
4
M
2
M
2
= 14 kNm
10
Gelijkwaardig eerste-ordemoment (EC2 art. 5.8.8.2 (2)) voor
een element zonder belastingen tussen de einden:
M
0e
= 0,6 M
02
+ 0,4 M
01
? 0,4 M
02
In figuur 8 is de situatie getoond voor de beschouwde kolom
met verschillende eerste-ordemomenten.
Het in absolute zin grootste moment: M
02
= 219 kNm.
Dan is M
01
= -204 kNm.
Het gelijkwaardige eerste-ordemoment:
M
0e
= 0,6 · 219 + 0,4 ·
( ?204 ) ? 0,4 · 219 kNm
Resultaat: M
0e
= 88 kNm.
De rekenwaarde van het totale moment (eerste- plus tweede-
orde) wordt berekend met de momentvergrotingsfactor (EC2
vgl. (5.28)):
M
Ed
= M
0Ed
(
1 +
?
______
N
B
___
N
Ed
? 1
)
waarin: ? =
?
2
__
c
0
(EC2 vgl. (5.29)
De grootte van c
0
is afhankelijk van de eerste-ordemomenten-
verdeling over de hoogte van het element: 8 bij een constant
moment; 9,8 bij een parabolisch verloop; ?
2
bij een sinusvormig
verloop en 12 bij een driehoekig momentenverloop, zie figuur 9.
Voor de kolom in het rekenvoorbeeld is c
0
= 8 omdat is uitge-
gaan van een gelijkwaardig eerste-ordemoment, dus een
constant moment over de hoogte van het element. Dit moment
neemt door het tweede-orde-effect toe tot:
M
Ed
= M
0e
( 1 +
?
2
__
8
______
8,5 ? 1
) = 1,16 M
0e
= 1,16 · 88 = 102 kNm
Het tweede-ordemoment is 102 - 88 = 14 kNm.
Voor de kolom geldt:
A =
1
________
1 + 0,2 ?
e?
=
1
__________
1 + 0,2 · 1,0
= 0,83
B =
??
______
1 + 2? =
?
?
_________
1 + 2
A
s
?
yd
_____
A
c
?
cd
=
?
?
__________________
1 + 2
0,02 · 45 0
2
· 435
_____________
45 0
2
·
35
___
1,5
= 1,32
C = 1,7 ? r
m
= 1,7 ?
M
01
____
M
02
= 1,7 ?
?204
_____
219
= 2,6
n =
N
Ed
_____
A
c
?
cd
=
4766 · 1 0
3
________
45 0
2
·
35
___
1,5
= 1,09
De limietwaarde voor de slankheid van een geschoorde kolom:
?
lim
=
20ABC
______
??
__
n
= 55,3
De slankheid van de geschoorde kolom (29,4) is kleiner dan de
limietwaarde voor de slankheid (55,3) zodat het niet nodig is
een twee-orde berekening uit te voeren. Om de rekenmetho-
diek te illustreren, wordt deze berekening echter wel uitge-
voerd.
Methode nominale stijfheid (EC2 art. 5.8.7)
Bij een geschoorde kolom is het volgens de NB bij EC2 toege-
staan deze methode toe te passen; bij de ongeschoorde kolom is
deze methode de enig toegestane methode.
Knikweerstand volgens Euler:
N
B
=
?
2
EI
kolom
_______
l
0
2
=
?
2
· 17,5 · 1 0
3
· 1/12 · 45 0
4
____________________
( 0,91 · 4200 )
2
= 40,4 · 1 0
6
N
Verhouding tussen de knikweerstand en de rekenwaarde van
de normaalkracht:
n
B
=
N
B
___
N
Ed
=
40,4 · 1 0
6
________
4766 · 10
3
= 8,5
10 Eerste- (links) en tweede-orde (midden)
momentenverloop over de hoogte van de
kolom. Rechts een benadering van het tweede-
ordemoment (figuur niet op schaal)
Stabiliteit3 201092
M M02
M0e + M2
M01 M01 + 0,5 M010,5 M2
e1NEd
M01 = NEde2
M0e + M2
+ =
M02
11
11 Schematische weergave van een
eerste- (links) en benaderde twee-
de-orde (midden) momentenver-
loop over de hoogte van de kolom;
rechts het totale moment
12 De kromming in de middendoor-
snede van een gedrukt element
berekenen door te interpoleren in
een geschematiseerd lineair nor-
maalkracht-moment interactiedia-
gram
13 Eerste- (links) en benaderd tweede-
orde (rechts) momentenverloop
over de hoogte van de kolom
De grootte van de coëfficiënt c is afhankelijk van het momen-
tenverloop. Anders dan bij de coëfficiënt c
0
bij de methode met
de nominale stijfheid, moet nu worden uitgegaan van het
verloop van het totaal-moment, dus het gecombineerde eerste-
en tweede-ordemomentenverloop. Gekozen wordt c = 12
omdat het eerste-ordemomentenverloop relatief gunstig is (de
momenten geven trek aan verschillende zijden van de kolom)
en het tweede- orde moment (zoals is gebleken bij de methode
met de nominale stijfheid) relatief klein is, waardoor het eerste-
ordemomentenverloop nauwelijks wordt beïnvloed.
De kromming halverwege de effectieve lengte wordt berekend
met als basiswaarde de kromming die optreedt bij de maxi-
mummomentweerstand van de doorsnede. Deze is bij benade-
ring (EC2 art. 5.8.8.3 (1)):
1
__
r
0
=
?
yd
_____
0,45d
=
?
yd
___
E
s
_____
0,45d
=
435
_____
2 · 1 0
5
____________
0,45 · 0,9 · 450
= 11,9 · 1 0
?6
m m
?1
Bij deze maximummomentweerstand behoort een zekere
normaalkracht in de kolom. De rekenwaarde van de normaal-
kracht kan een andere grootte hebben. Daarom wordt de krom-
ming gecorrigeerd:
De werkelijk optredende kromming wordt gevonden uit, ener-
zijds, de rekenwaarde van de normaalkracht en, anderzijds, door
de aanname te doen dat sprake is van een rechtlijnig verloop van
het M-N-interactiediagram tussen het punt met maximum
momentweerstand (M
max
; bij een normaalkracht N
bal
) en het punt
met centrische druk (normaalkracht N
u
) (zie figuur 12). In de
eerste situatie is de kromming 1 / r
0
; in de tweede situatie is die
gelijk aan nul (EC2 vgl. (5.36)). Het interpoleren levert een reduc-
tiefactor waarmee de werkelijke kromming wordt berekend:
K
r
=
N
u
? N
_______
N
u
? N
bal
=
1 + ? ? n
________
0,6 + ?
? 1,0
Mechanische wapeningsverhouding:
? =
A
s
?
yd
_____
A
c
?
cd
=
0,02 · (4 50)
2
· 435
______________
(4 50)
2
·
35
___
1,5
= 0,37
Het verloop van het tweede-ordemoment over de kolomhoogte
wordt gevonden omdat ervan mag worden uitgegaan dat het
parabolisch of sinusvorming is over de effectieve lengte (EC2;
art. 5.8.8.2 (1)). In figuur 10 is het verloop van de eerste- en
tweede-ordemomenten gegeven. Omdat in dit rekenvoorbeeld
de rotatieveren aan de kolomeinden dezelfde stijfheid hebben,
kan de effectieve lengte eenvoudig worden aangegeven en
kunnen de tweede-ordemomenten aan de kolomeinden
worden berekend. In een meer algemene situatie is de exacte
ligging van de momentennulpunten van de twee-orde momen-
tenlijn niet bekend. In de literatuur wordt dan vaak een bena-
derende, meestal veilige aanpak gevolgd (zie figuur 11): de
eindmomenten worden elk gelijk gesteld aan 50% van het
grootste tweede-ordemoment. Uitgaande van een sinusvormig
verloop van het tweede-ordemoment, liggen de momentennul-
punten dan op een afstand l / 8 van de kolomeinden en is dus
uitgegaan van een effectieve lengte l
0
= 0,75 l.
De maatgevende doorsnede kan worden gevonden aan beide
kolomeinden of ongeveer halverwege de kolomhoogte. Op
basis van de benaderende schematisatie van de tweede-orde-
momentenlijn volgt (zie figuur 11):
M
Ed
= max.
( M
01
+ ½ M
2
; M
0e
+ M
2
; M
02
)
Hierbij wordt opgemerkt dat het tweede-ordemoment gunstig
werkt aan het kolomeinde waar M
02
aanwezig is en daarom in
deze doorsnede buiten beschouwing gelaten wordt.
M
Ed
= max.
( 204 + 7 ; 102 ; 219 ) = 219 kNm
Geconcludeerd wordt dat de doorsnede aan de onderzijde van
de kolom (met het grootste eerste-ordemoment) maatgevend
is. In deze doorsnede wordt de grootte van het moment niet
bepaald door het tweede-orde-effect.
Methode nominale kromming (EC2 art. 5.8.8)
Als in de praktijk sprake is van een geschoorde kolom, mag
deze methode worden toegepast. Voor een ongeschoorde
kolom mag deze methode niet worden toegepast (NB bij EC2).
De toename van de uitbuiging van de kolom door het tweede-
orde-effect wordt berekend uit een kromtestraal (of: krom-
ming), de effectieve lengte van de kolom en het momentenver-
loop over de kolomhoogte. De uitdrukking voor deze toename
van de uitbuiging (EC2 art. 5.8.8.2 (3)):
e
2
=
1
__
r
·
l
0
2
__
c
Stabiliteit 3 2010 93
NbaL ? ? -------------
N
N
M
l0
?
? = ------- ·
?
Nu? = 0
yd
l0
2
2
0,45 d
?
?
?
?
M
02
219 kNm
M
01
204 kNm
-- M
2
= 13 kNm
1
2
-- M
2
1
2
M
2
= 27 kNm
12 13
De relatieve excentriciteit van de normaalkracht:
M
Ed
_____
?
cd
b h
2
=
219 · 1 0
6
____________
35
___
1,5
· 450 · 45 0
2
= 0,10
Uit moment-normaalkracht interactiediagrammen (zie
bijvoorbeeld de figuren uit de GTB 2006, onderdeel 10, maar
dan met EC2-invoerparameters) volgt bij deze combinatie een
wapeningsverhouding van circa 1,7%. De aanname (2%) is dus
correct geweest.
Rekenvoorbeeld kolom in ongeschoord raamwerk
Dezelfde kolom wordt nu getoetst op knik als deze onderdeel is
van een ongeschoord raamwerk.
Het grootste moment aan de kolomeinden is nu:
M
02
= 329 kNm. De rekenwaarde van de normaalkracht is
N
Ed
= 2383 kN.
De afmetingen van en de wapening in de balk veranderen niet.
De buigstijfheid van de regel is dan: E I
?,regel
= 24,7 · 1 0
12
N/m m
2
De wapeningsverhouding wordt weer geschat op 2%. De rela-
tieve normaalkracht volgens VBC tabel 15:
?
n
=
N
Ed
__________
A
c
?
cd
+ A
s
?
yd
=
2383 · 1 0
3
__________________________
45 0
2
· 0,6 · 45 + 0,02 · 4 50
2
· 435
= 0,33
Fictieve elasticiteitsmodulus van de kolom:
E
?,kolom
= (21300 + 4950 ?
_
) (1 ? ? ?
n
)
= (21300 + 4950 · 2) (1 ? ? · 0,33) = 24,3 · 1 0
3
N/m m
2
Relatieve flexibiliteit aan een uiteinde van de kolom:
k
1
=
(
EI
__
l
1
)
kolom 1
+ (
EI
__
l
2
)
kolom 2
_________________
6
EI
al
___
l
l
+ 6
EI
ar
___
l
r
=
2 ·
24,3 · 1 0
3
· 1/12 · 45 0
4
__________________
4200
____________________
12 ·
24,7 · 1 0
12
________
7200
= 1,0
Omdat de knopen identiek zijn, is ook k
2
= 1,0.
Relatieve normaalkracht:
n =
N
Ed
_____
A
c
?
cd
=
4766 · 1 0
3
_________
(45 0)
2
·
35
___
1,5
= 1,09
Het effect van kruip wordt in rekening gebracht met EC2 vgl.
(5.37): K
?
= 1 + ? ?
e?
? 1,0
waarin:
? = 0,35 +
?
ck
____
200
?
?
____
150
= 0,35 +
35
____
200
?
29,4
____
150
= 0,33
K
?
= 1 + 0,33 · 1,0 = 1,33
De optredende kromming:
1
__
r
= K
r
K
?
1
__
r
0
= 0,29 · 1,33 · 11,9 · 10
?6
= 4,6 · 10
?6
m m
?1
De extra uitbuiging van de kolom:
e
2
=
1
__
r
·
l
0
2
__
c
= 4,6 · 10
?6
·
(0,91 · 42 00)
2
___________
12
= 5,6 mm
Het tweede-ordemoment (EC2 vgl. (5.33)):
M
2
= N
Ed
e
2
= 4766 · 1 0
3
· 5,6 = 26,7 · 1 0
6
Nmm
Net als in figuren 10 en 11 getoond, wordt het tweede-ordemo-
ment in de literatuur vaak volgens een vereenvoudigde aanpak
geschematiseerd (zie fig. 13). Evenals bij de methode volgens
de nominale stijfheid, wordt de maatgevende doorsnede weer
gevonden aan de onderzijde van de kolom.
Bij een normaalkracht van 4766 kN en een buigend moment
van 219 kNm is de relatieve normaalkracht
n =
N
Ed
_____
A
c
?
cd
= 1,01.
Stabiliteit3 201094
De rekenwaarde van het totale moment (eerste- plus tweede-
orde) volgt weer uit de momentvergrotingsfactor (EC2 vgl.
(5.28)):
M
Ed
= M
0Ed
(
1 +
?
______
N
B
___
N
Ed
? 1
)
waarin: ? =
?
2
__
c
0
(EC2 vgl. (5.29)
Voor de kolom is c
0
= 12 een conservatieve waarde (vergelijk
figuur 9). Dan is de vergrotingsfactor:
M
Ed
= M
0Ed
( 1 +
?
2
___
12
______
3,8 ? 1
) = 1,29 M
0Ed
De vergrotingsfactor wordt toegepast op de momenten aan de
kolomeinden. Het in absolute zin grootste eindmoment (M
02
)
geeft nu het voor de kolom maatgevende moment:
M
Ed
= 1,29 M
Ed
= 1,29 · 329 = 424 kNm
Met moment-normaalkracht interactiediagrammen wordt de
wapeningsverhouding getoetst:
Bij een normaalkracht van 2383 kN is de relatieve normaal-
kracht n = 0,50. Bij een buigend moment van 480 kNm is de
relatieve excentriciteit van de normaalkracht:
M
Ed
_____
?
cd
b h
2
=
424 · 1 0
6
____________
35
___
1,5
· 450 · 450
2
= 0,20
Bij deze combinatie is de minimaal vereiste wapeningsverhou-
ding circa 1,8% (zie, bijvoorbeeld, tabellen overeenkomstig die
in de GTB 2006). De aanname (2%) is dus correct.
?
De kniklengte van de kolom:
l
0
= l · max
[
?
?
___________
1 + 10
k
1
k
2
______
k
1
+ k
2
; ( 1 +
k
1
_______
1,0 + k
1
)
( 1+
k
2
_______
1,0 + k
2
)
]
= l · max
[
?
?
_____________
1 + 10
1,0 · 1,0
________
1,0 + 1,0
; ( 1 +
1,0
________
1,0 + 1,0
)
( 1+
1,0
________
1,0 + 1,0
)
]
= 2,5 l
l
0
= 2,25 l = 2,25 · 4,2 · 1 0
3
= 9,5 · 1 0
3
mm
De slankheid van de kolom:
? =
l
0
__
i
=
??
___
12
___
h
l
0
=
??
___
12
____
450
· 9,5 · 1 0
3
= 73,1Controleer of een tweede-ordeberekening moet
worden uitgevoerd
Omdat ten opzichte van de geschoorde kolom de kolomafme-
tingen en de geschatte wapeningsverhouding onveranderd zijn
gebleven, blijven, bij het berekenen van de limietwaarde voor
de slankheid, A en B uit EC2 vgl. (5.13) ook onveranderd; A =
0,83 en B = 1,32. Omdat nu sprake is van een ongeschoorde
kolom is C = 0,7. De relatieve normaalkracht:
n =
N
Ed
_____
A
c
?
cd
=
2383 · 1 0
3
________
45 0
2
·
35
___
1,5
= 0,50
De limietwaarde voor de slankheid van de ongeschoorde
kolom:
?
lim
=
20ABC
______
??
__
n
= 21,7
De slankheid van de geschoorde kolom is aanzienlijk groter
dan de limietwaarde voor de slankheid zodat een twee-orde
berekening moet worden uitgevoerd.
Methode nominale stijfheid (EC2 art. 5.8.7)
Omdat de kolom ongeschoord is, is het volgens de NB bij EC2
alleen toegestaan deze methode toe te passen.
Knikweerstand volgens Euler:
N
B
= ?
2
E I
kolom
/ l
0
2
=
?
2
· 24,3 · 1 0
3
· 1/12 · 4 50
4
_____________________
( 9,5 · 1 0
3
)
2
= 9,1 · 1 0
6
N
Verhouding tussen de knikweerstand en de rekenwaarde van
de normaalkracht:
n
B
=
N
B
___
N
Ed
=
9,1 · 1 0
6
________
2383 · 1 0
3
= 3,8
Reacties