O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
cement 2008277
Het ontwerpen en berekenen van een fundering omvat
twee stappen: het geotechnisch ontwerp en het ontwerp
van de fundering zelf. Het geotechnisch ontwerp valt
onder Eurocode 7, die uit twee delen bestaat: Deel 1:
Algemene regels en Deel 2: Ontwerp ondersteund door
laboratoriumonderzoek. Deze aflevering behandelt de
essentiële onderdelen van Deel 1 voor het ontwerpen en
berekenen van de fundering. Benadrukt wordt dat hierin
alleen het berekenen van relatief eenvoudige funderingen
wordt behandeld, hetgeen slechts een klein deel van het
totale toepassingsgebied van Eurocode 7 is. Op deze
publicatie moet dan ook niet worden teruggegrepen voor
het verkrijgen van informatie over alle onderdelen van
Eurocode 7.
G r e n s t o e s t a n d e n
Aan de volgende uiterste grenstoestanden (UGT), die
alle hun eigen belastingscombinaties hebben, moet in
het geotechnisch ontwerp worden voldaan (NEN-EN
1997-1, art. 2.4.7.1.):
EQU verlies aan statisch evenwicht in de con-
structie;
STR intern bezwijken of excessieve vervormingen
van de constructie of een constructie-onder-
deel;
GEO bezwijken ten gevolge van excessieve defor-
matie van de ondergrond;
UPL verlies aan statisch evenwicht (opdrijven)
door opwaartse beweging door waterdruk
(opwaartse kracht);
HYD hydraulische grondbreuk en inwendige
erosie, bijvoorbeeld veroorzaakt door kwel
van grondwater.
Voor een toelichting op de Eurocode-terminologie
wordt verwezen naar de eerste aflevering van deze
serie: Introductie tot de Eurocodes.
Aanvullend moet worden voldaan aan bruikbaar-
heidsgrenstoestanden (BGT). Het zal meestal duide-
lijk zijn dat één van deze grenstoestanden bepalend
is voor het ontwerp, waardoor het niet nodig is dat
controles voor alle grenstoestanden worden uitge-
voerd. Het wordt echter in het algemeen gezien als
'gewenste' praktijk dat wordt vermeld dat zij alle in
beschouwing zijn genomen.
G e o t e c h n i s c h e c a t e g o r i e ë n
Eurocode 7 beveelt aan gebruik te maken van drie
geotechnische categorieën als hulpmiddel bij het
vaststellen van de geotechnische ontwerpcriteria die
op een constructie van toepassing zijn (tabel 1).
De geotechnische categorie wordt, ook thans, met
name gebruikt om de omvang van het uit te voeren
grondonderzoek te bepalen. Er is nagenoeg een een-
op-een relatie tussen de geotechnische categorieën en
de thans gebruikte veiligheidsklassen.
Opmerking
Eurocode 0 hanteert drie gevolgklassen ('consequence
classes') bij het onderscheiden van de gevolgen van
bezwijken of disfunctioneren van een constructie: CC3
is de 'zwaarste' klasse, CC1 de 'lichtste'. De meeste
gebouwen zullen in klasse CC2 vallen (vergelijkbaar
met veiligheidsklasse 3 uit NEN 6700). De gevolgklas-
sen zijn een-op-een gekoppeld aan betrouwbaarheids-
klassen RC1, RC2 en RC3, die de betrouwbaarheidsin-
dex
´ bepalen waarmee de belastingsfactoren worden
berekend. Eenvoudig gesteld kan de indeling in geo-
technische categorieën direct in verband worden
gebracht met de gevolgklassen: categorie 1 is CC1,
categorie 2 is CC2 en categorie 3 is CC3.
O n t w e r p m e t h o d e n e n c o m b i n a t i e s
Er is geen consensus bereikt over het toepassen van
een benadering bij het gebruik van de grenstoestan-
den STR en GEO. Om rekening te houden met de
verschillende inzichten voorziet Eurocode 7 in drie
ontwerpbenaderingen die in de UGT kunnen worden
toegepast (NEN-EN 1997, art. 2.4.7.3). Welke benade-
ring in een bepaald land wordt gevolgd, is vastgelegd
in de Nationale Bijlage (NB). De Nederlandse NB
vermeldt dat is gekozen voor ontwerpbenadering 3
(OB3). Dit betekent dat in blijvende en tijdelijke ont-
werpsituaties met betrekking tot intern bezwijken of
excessieve vervormingen moet worden gerekend met
de combinatie:
Het ontwerpen en berekenen van betonconstructies met Eurocode 2 (6)
Funderingen
A r t i k e l e n s e r i e E u r o c o d e
Dit artikel is het zesde in een serie van acht, waarvoor het initiatief ligt bij
Cembureau, het Europees verband van cementindustrieën.
De artikelen zijn vanuit het Engels in het Nederlands vertaald en bewerkt door
dr.ir.drs. C.R. Braam en afgestemd met CUR-Voorschriftencommissie 20.
Tabel 1 | Geotechnische categorieën van construc ties
cate-
gorie
omschrijving kans op geotech-
nisch bezwijken
voorbeelden uit Eurocode 7
1 kleine en relatief een-
voudige constructies
verwaarloosbaar geen voorbeelden gegeven
2 conventionele typen
van constructies en
funderingen zonder
moeilijke ondergrond
of belastingscondities
geen exceptioneel
risico
fundering op staal
3 alle andere construc-
ties
abnormaal risico grote of ongebruikelijke constructies;
exceptionele condities van de ondergrond
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
78cement 20082
(A1 of A2) + M2 + R3
waarin:
A1 en A2 zijn sets partiële factoren voor belastin-
gen/belastingseffecten voor geotechnische
belastingen (set A2) en de 'overige' belas-
tingen (set A1) (tabel 2);
M2 is een set partiële factoren voor grondpara-
meters;
R3 is een set partiële weerstandfactoren
speciÞ ek geldend voor de gekozen funde-
ringswijze (op staal of op palen, met bij
laatstgenoemde weer onderscheid tussen
geheide palen, geboorde palen en schroef-
palen type avegaar).
Opmerking
Het hanteren van ontwerpbenadering 3 betekent dat
in de uiterste grenstoestanden moet worden uitge-
gaan van belastings- en materiaalfactoren (voor bijv.
hoek van inwendige wrijving en cohesie) groter dan 1
(M2). De weerstandfactoren (R3) zijn dan gelijk aan 1.
Dit geldt niet voor paalfunderingen; dan is juist de set
factoren behorend bij M2 gelijk aan 1 en worden de
weerstandfactoren (R3) (voor bijv. de conusweerstand)
groter dan 1 gesteld.
Er wordt op gewezen dat tabel 2 van toepassing is
voor de geotechnische constructie; de aan te houden
belastingsfactoren voor een gebouw zelf zijn opgeno-
men in de eerste aß evering van deze serie in tabel 5.
De twee tabellen stemmen niet exact overeen, omdat
beide andere typen constructies betreffen. Grofweg
kan een denkbeeldige grens tussen beide worden
getrokken waar het 'bouwwerk' overgaat in de 'fun-
dering'. Kenmerk van een geotechnische constructie
is dat de grootte van belastingen mede wordt bepaald
door de stijfheid van de constructie zelf. Dit is de
reden waarom in set A2 voor damwanden aparte
factoren worden gehanteerd.
De set partiële factoren, M2, voor de geotechnische
grondparameters is gegeven in tabel 3.
De te hanteren partiële factoren voor de belastingen
in de uiterste grenstoestand EQU (verlies aan statisch
evenwicht) zijn weergegeven in tabel 4. De te hante-
ren factoren voor de geotechnische grondparameters
zijn vermeld in tabel 5.
In de bruikbaarheidsgrenstoestand (BGT) adviseert
Eurocode 7 niet over het gebruik van karakteristieke,
frequente of quasi-blijvende combinaties. De quasi-
blijvende combinatie moet worden gehanteerd bij het
berekenen van zettingen.
De aan te houden partiële factoren voor de materiaal-
parameters zijn in de BGT-combinaties alle gelijk aan
1,0.
Nadere informatie over deze combinaties kan worden
gevonden in de eerste aß evering van deze serie: Intro-
ductie tot de Eurocodes.
G e o t e c h n i s c h o n d e r z o e k s r a p p o r t
Voor elk project moet bij voorkeur een geotechnisch
onderzoeksrapport worden opgesteld, ook al bestaat
het maar uit een enkele bladzijde. Het rapport moet
detailinformatie over de bouwlocatie bevatten, de
interpretatie van het grondonderzoeksrapport, de
geotechnische ontwerpadviezen, de adviezen over de
supervisie en het monitoren tijdens de werkzaam-
heden en het onderhoud van de constructies. Bij het
opstellen van dit rapport zal veelal, afhankelijk van
het antwoord op de vraag of het behoort tot veilig-
heidsklasse 1, 2 of 3, informatie van meer dan één
adviseur benodigd zijn.
Tabel 2 | Par tiële belastingsfac toren in de uiterste grenstoestan-
den STR/GEO zoals te hanteren volgens Nederlandse N B
voor blijvende en tijdelijke ont werpsituaties (Eurocode 7
en NB -tabel A .3)
blijvende belastingen
(
?
G
)
variabele belastingen
(
?
Q
)
ongunstig gunstig ongunstig gunstig
set A1 1,35
1
) 1,0 1,5 0
set A2
damwanden
1,0 1,0 1,1
2
) 0
overig 1,0 1,0 1,5 0
1
) Alleen bij kleine Q-lasten is deze waarde maatgevend. In andere
gevallen wordt gerekend met
?
G
? = 1,2 (? = 0,89 conform de
NB bij NEN-EN 1990).
2
) Deze waarde geldt voor categorie 2 uit tabel 1. Voor categorie
1 geldt
?
Q
= 1,0; voor categorie 3:
?
Q
= 1,25.
Tabel 3 | Par tiële fac toren set M2 voor de geotechnische grondparameter s te hanteren in de uiterste grenstoestand STR/GEO - blijvende
en tijdelijke ont werpsituaties (Eurocode 7 en NB -tabellen A .4a-b)
grondparameter symbool fundering op
staal
keermuur
keerwand
talud damwand
betrouwbaarheidsklasse RC
1 2 3 1 2 3
hoek van inwendige wrijving
1
) ?
?'
1,15 1,2 1,2 1,25 1,3 1,15 1,15 1,20
effectieve cohesie
?
c'
1,6 1,5 1,3 1,45 1,6 1,0 1,05 1,10
ongedraineerde schuifsterkte
?
cu
1,35 1,5 1,5 1,75 2,0 1,5 1,6 1,65
prismadruksterkte
?
qu
1,35 1,5 1,5 1,75 2,0 1,5 1,6 1,65
volumiek gewicht
?
?
1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0
1
) Deze factor heeft betrekking op tan
??.
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
cement 2008279
?
Het funderingstechnisch advies moet het draagvermo-
gen en de karakteristieke waarden van grondparame-
ters vermelden. Ook moet duidelijk worden aangege-
ven of deze geldig zijn voor UGT dan wel voor BGT.
F u n d e r i n g e n o p s t a a l
Het geotechnisch ontwerp van funderingen op staal
(bijv. strokenfunderingen en funderingsvoeten) wordt
behandeld in hoofdstuk 6 van Eurocode 7, Deel 1.
Drie ontwerpmethoden worden gegeven (NEN-EN
1997, art. 6.4 (5)P):
? Directe methode:
voor elke mogelijke grenstoestand wordt een bere-
kening uitgevoerd.
? Indirecte methode:
ervaring in combinatie met experimenten wordt
gebruikt om BGT-parameters zodanig vast te stel-
len dat aan eisen uit alle relevante grenstoestanden
wordt voldaan (voornamelijk opgenomen in Euro-
code 7 om aan te sluiten bij Franse ontwerpmetho-
den).
? Voorschrijvende methode:
een voorgeschreven draagkracht wordt gebruikt.
Voor de meeste funderingen op staal zal de toe-
gestane zetting het maatgevende criterium zijn.
Traditioneel zijn toegestane gronddrukken gebruikt
om de zettingen te beperken. In de 'voorschrijvende'
methode mag een veiligheidsfactor op de draagkracht,
bedoeld om de zettingen te beperken, nog steeds
worden gebruikt. Een uitzondering wordt gemaakt
voor zachte klei, waar Eurocode 7 eist dat zettingsbe-
rekeningen worden uitgevoerd.
Bij gebruik van de directe methode moeten voor elke
grenstoestand berekeningen worden uitgevoerd. In de
UGT moet de draagkracht van de ondergrond worden
gecontroleerd, gebruikmakend van partiële factoren
voor de grondparameters en de belastingen. In de
BGT wordt de zetting van de funderingen berekend en
wordt deze vergeleken met toegestane grenswaarden.
De voorschrijvende methode mag worden gebruikt
als het niet mogelijk of noodzakelijk is de grondpa-
rameters te berekenen en kan worden gebruikt als
conservatieve ontwerpregels worden gehanteerd.
Huidige rekenmethoden, gebaseerd op het vaststellen
van toegestane drukken, mogen nog steeds worden
gebruikt voor constructies in veiligheidsklasse 1,
alsmede in voorlopige ontwerpberekeningen voor
constructies in veiligheidsklasse 2.
Figuur 1 toont een stroomschema van het ontwerp-
en rekenproces voor ondiepe funderingen. Als op de
fundering een buigend moment wordt uitgeoefend,
moet ook de grenstoestand EQU worden gecontro-
leerd. Als wordt aangenomen dat het mogelijk 'kan-
telen' van de fundering wordt veroorzaakt door een
variabele belasting voortkomend uit windbelasting,
moet de volgende combinatie worden gebruikt (de
variabele opgelegde belasting wordt hier niet geacht
bij te dragen aan de stabiliteit van de constructie):
0,9 G
k
+ 1,5 Q
k,w
waarin:
G
k
is de stabiliserende karakteristieke blijvende
belasting (gebruik een factor 1,1 als sprake is van
een destabiliserende blijvende belasting);
Tabel 4 | Par tiële belastingsfac toren in de uiterste grenstoestand EQU zoals te hanteren in
blijvende en tijdelijke ont werpsituaties (NEN-EN 1997, ar t. 2.4.7.2 en tabel A .1)
blijvende belastingen (?
G
) variabele belastingen (
?
Q
)
ongunstig
1
)
(
?
G;dst
)
gunstig
2
)
(
?
G;stb
)
ongunstig
1
)
(
?
Q;dst
)
gunstig
2
)
(
?
Q;stb
)
1,1 0,9 1,5 0
1
) destabiliserend
2
) stabiliserend
Tabel 5 | Par tiële fac toren voor de geotechnische grondparameters te hanteren in de
uiterste grenstoestand EQU (NEN-EN 1997, ar t. 2.4.7.2 en NB -tabel A2)
grondparameter symbool waarde
hoek van inwendige wrijving
1
) ?
?'
1,2
effectieve cohesie
?
c'
1,5
ongedraineerde schuifsterkte
?
cu
1,5
prismadruksterkte
?
qu
1,5
volumiek gewicht
?
?
1,0
1
) Deze factor heeft betrekking op tan
??.
Start
?
Ontleen grondparameters aan het geotechnisch advies
?
Berekenen volgens
ja ? de directe methode? ? nee
Dimensioneer de fundering
(geotechnisch ontwerp) met
de combinatie (UGT) voor
belastingen (tabel 2) en met
de geotechnische materiaal-
eigenschappen (tabel 3)
?
Gebruik de voorschrijvende
methode. Dimensioneer de
fundering (geotechnisch
ontwerp) in BGT voor belas-
tingen en een verondersteld
gronddraagvermogen
Is een
kantelend moment
aanwezig?
nee ?
Controleer 'kantelen' in de
grenstoestand EQU voor
belastingen (tabel 4) en met
de materiaaleigenschappen
voor BGT
1)
?
Ontwerp de fundering (constructief ontwerp) gebruikmakend
van de ongunstigste combinatie (UGT) voor belastingen en
geotechnische materiaaleigenschappen
1
) Partiële factoren voor materiaalparameters in BGT-combinaties
zijn gelijk aan 1,0.
ja
1 | Procedure aanlegdiepte
fundering op staal
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
80cement 20082
M M M
P P
P
P
e e
e
P
P
(1+
P
2P P
e = M/P
6e
L
1,5L-3e L -2e
L
of
BGT-drukverdeling UGT-drukverdeling
(1- )
)
P 6e
L L
L = breedte fundering
2d
d
ombuigingen kunnen
vereist zijn
h
d
dwarskrachtsnede
als in ligger ponsperimeters
Q
k,w
is de destabiliserende karakteristieke windbelas-
ting.
De partiële factoren voor de grondparameters om de
weerstand te berekenen, worden ontleend aan tabel 3.
De drukverdeling onder de fundering moet zoda-
nig zijn dat de maximale spanning de draagkracht
ontleend aan het geotechnisch advies, niet te boven
gaat in zowel de uiterste grenstoestand EQU als
GEO (Þ g. 2). Als de excentriciteit in de BGT groter
is dan L / 6, moet de drukverdeling om de zettingen
te berekenen worden aangepast, omdat geen trek
tussen de constructie en de fundering kan optreden.
De constructeur moet zich er dan van verzekeren dat
geen andere gevolgen (bijv. excessieve rotatie van de
voet) optreden. Er wordt op gewezen dat in de UGT
de drukverdeling rechthoekig en niet trapeziumvor-
mig zal zijn.
G e w a p e n d - b e t o n n e n f u n d e r i n g s v o e t e n
Als in funderingsvoeten betonstaal nodig is, moeten
de volgende controles worden uitgevoerd:
? voldoende betonstaal aanwezig voor het opnemen
van de buigende momenten;
? ponsweerstand;
? dwarskrachtcapaciteit.
De buigende momenten en dwarskrachten moeten
worden gecombineerd volgens de volgende STR-com-
binatie in de uiterste grenstoestand voor blijvende en
tijdelijke ontwerpsituaties (zie ook tabel 5, vgl. (6.10a)
in de eerste aß evering van deze serie: Introductie tot
de Eurocodes):
1,2 G
k
+ 1,5 Q
k,w
Uiteraard moet ook worden gecontroleerd of vgl.
(6.10b) uit dezelfde tabel 5 niet tot een ongunstiger
combinatie leidt.
De voor de onderwapening maatgevende buigende
momenten treden op nabij de zijkanten van de
kolom. Zowel de schuifspanning uit dwarskracht
als die uit pons moet worden gecontroleerd op de
posities getoond in Þ guur 3. Bij het vaststellen van
de ponsweerstand mag de gronddruk binnen de
toetsingsperimeter in mindering worden gebracht op
de kolomkracht (NEN-EN 1992-1-1, art. 6.4.4(2), vgl.
(6.48)). Het is niet gebruikelijk dat een funderings-
voet dwarskrachtwapening bevat. Daarom is het veelal
alleen nodig er voor te zorgen dat de schuifspanning
uit het betonaandeel in de dwarskrachtweerstand (v
Rd,c
- zie tabel 6) groter is dan de schuifspanning uit de
rekenwaarde van de dwarskracht (v
Ed
= V
Ed
/ bd).
Als het betonaandeel onvoldoende groot is, kan de
dikte van de funderingsvoet worden vergroot. Als
alternatief kan de hoeveelheid langswapening worden
verhoogd of, minder gewenst, kan dwarskrachtwa-
pening worden aangebracht (zie hiervoor de vierde
aß evering van deze serie: Liggers).
Ontwerpen op ponsdraagvermogen
Eurocode 2 geeft speciÞ eke richtlijnen voor het ont-
werpen en berekenen van funderingen op pons. De
aanpak wijkt af van die gevolgd bij platen. In Euro-
code 2 heeft de toetsingsperimeter afgeronde hoeken
en mogen de krachten die direct binnen de perimeter
door de grond worden opgenomen, in mindering
worden gebracht (om onnodig conservatief ontwer-
pen te voorkomen). De kritische perimeter moet
iteratief worden gevonden, maar in het algemeen is
het acceptabel als d en 2 d worden gecontroleerd. De
Tabel 6 | Schuifweerstand v
Rd , c
van elementen zonder dwarskracht wapening (N/mm
2
)
?
l
nuttige hoogte d (mm)
300 400 500 600 700 800 900 1000
1
)
0,25% 0,47 0,43 0,40 0,38 0,36 0,35 0,35 0,34
0,50% 0,54 0,51 0,48 0,47 0,45 0,44 0,44 0,43
0,75% 0,62 0,58 0,55 0,53 0,52 0,51 0,50 0,49
1,00% 0,68 0,64 0,61 0,59 0,57 0,56 0,55 0,54
1,25% 0,73 0,69 0,66 0,63 0,62 0,60 0,59 0,58
1,50% 0,78 0,73 0,70 0,67 0,65 0,64 0,63 0,62
1,75% 0,82 0,77 0,73 0,71 0,69 0,67 0,66 0,65
g 2,00% 0,85 0,80 0,77 0,74 0,72 0,70 0,69 0,68
k 1,816 1,707 1,632 1,577 1,535 1,500 1,471 1,447
1
) Voor hoogten groter dan 1000 mm lees hier direct v
Rd,c
af.
Opmerkingen
1. De tabelwaarden zijn afgeleid uit: v
Rd,c
= 0,12 k (100
?
I
f
ck
)
(1/3)
g 0,035 k
1,5
f
ck
0,5
met k = 1 +
?
_______
(200/d) f 2 en ?
I
= ?
________
(?
Iy
+
?
Iz
) f 0,02,
?
Iy
= A
sy
/ bd en ?
Iz
= A
sz
/ bd
2. De tabelwaarden zijn berekend voor f
ck
= 30 N/mm
2
;
voor
?
l
groter dan 0,40% mogen onderstaande factoren worden gebruikt:
f
ck
25 28 32 35 40 45 50
factor 0,94 0,98 1,02 1,05 1,10 1,14 1,19
2 | Drukverdeling onder
funderingsvoeten
3 | Schuifspanningscontroles
voor funderingsvoeten
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
cement 2008281
?
?
2d 2d
u
1
b
z
b
y
u
1
procedure voor het voldoen aan de ponsvereisten is
weergegeven in Þ guur 4.
P l a a t f u n d e r i n g e n
Het ontwerp- en rekenproces voor plaatfunderingen
verloopt vergelijkbaar met dat van enkele funderings-
voeten. Het enige verschil in benadering is gelegen in
de keuze van een geschikte methode voor het analy-
seren van de interactie tussen plaat en grond zodanig,
dat een goede weergave van het werkelijke gedrag
wordt verkregen. Bij stijve platen (bijv. verhouding
overspanning-hoogte < 10) met een redelijk regelma-
tige vormgeving, kunnen eenvoudige benaderingen
als de vloeilijnentheorie of aan vlakke plaatvloeren
ontleende technieken worden toegepast zodra een
inschatting van de verschillen in gronddrukken is ver-
kregen van een geotechnisch adviseur. Welke vereen-
voudigingen ook worden doorgevoerd, de individuele
elastische plaatreacties moeten evenwicht maken met
de kolomkrachten.
In geval van slankere, meer ß exibele platen of bij een
meer complexe vormgeving kan de toepassing van de
eindige-elementenmethode of een balkroosterbereke-
ning vereist zijn om de interactie tussen de con-
structie en de ondergrond goed te modelleren en een
realistische voorspelling van het deformatieverloop te
maken. Dit niet alleen voor de constructie zelf, maar
ook voor de omgeving ervan.
P a a l f u n d e r i n g e n
In deze handleiding wordt verondersteld dat de
paalfundering zelf wordt ontworpen en berekend
door een funderingsspecialist. De paalreacties moeten
worden doorgegeven aan de ontwerper van de palen.
Daarbij moet worden teruggerekend naar waarden
zonder partiële belastingsfactoren (alle factoren zijn
1,0) voor zowel de blijvende belasting als voor elke
van de van toepassing zijnde variabele belastingen
(bijv. opgelegde belastingen en windbelastingen). De
ontwerper van de palen kan deze dan zowel construc-
tief als geotechnisch dimensioneren.
Als sprake is van momenten uitgeoefend op de poer
moet ook de EQU-combinatie worden gebruikt, na-
melijk om te controleren of de palen de 'kantelende'
krachten kunnen weerstaan. Ook deze EQU-krachten
moeten aan de ontwerper van de palen worden door-
gegeven.
Voor het dimensioneren van de poer mag de staafwerk-
analogie worden toegepast. Deze wordt besproken in
Start
?
Bereken de grootte van de factor
´ (´ = 1,0 als het moment nul
is; zie vgl. (6.38) t.m. (6.42) uit NEN-EN 1992-1-1 voor andere
situaties)
?
Bereken v
Ed,max
(rekenwaarde van de schuifspanning bij het
zijvlak van de kolom) uit:
v
Ed,max
=
´ ( V
Ed
- ? V
Ed
)
_____________
u
0
d
eff
(uit vgl. (6.38))
waarin u
0
is de perimeter van de kolom (zie art. 6.4.3 voor rand-
en hoekkolommen)
d
eff
= ( d
y
+ d
z
)/2 waarin d
y
en d
z
zijn de nuttige hoogten in ortho-
gonale richtingen
?
Bereken v
Rd,max
(tabel 7)
4 | Procedure voor vaststel-
len ponsdraagvermogen
funderingsvoeten
?
Is v
Ed,max
< v
Rd,max
?
? ja
Herontwerp de fundering
Bereken v
Ed
(rekenwaarde van de schuifspanning) uit:
v
Ed
=
V
Ed
- ? V
Ed
__________
u
1
d
eff
waarin u
1
is de lengte van de toetsingsperimeter (zie fig. 5).
Voor een excentrisch belaste fundering zie vgl. (6.51).
De kritische toetsingsperimeter moet worden gevonden door
iteratie; deze ligt meestal tussen d en 2d
?
Bereken het ponsdraagvermogen v
Rd
zonder ponswapening
uit 2d v
Rd,c
/ a
(NEN-EN 1992-1-1, vgl. (6.50) (zie tabel 6 voor v
Rd,c
)
nee
?
Is v
Ed
< v
Rd
in de kritische
perimeter?
? ja
Pas ofwel meer langswape-
ning toe of pas ponswape-
ning toe (niet aanbevolen
bij funderingen)
nee
Geen ponswapening vereist; controle is afgerond
5 | Toetsingsperimenters
voor belaste gebieden
Tabel 7 | Waarden voor v
Rd , m a x
f
ck
(N/mm
2
) v
Rd,max
(N/mm
2
)
20 3,68
25 4,50
28 4,97
30 5,28
32 5,58
35 6,02
40 6,72
45 7,38
50 8,00
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
82cement 20082
Ø/5
Ø
Ø/5
dwarskracht ? d
vanaf zijvlakken kolom
pons ? 2d
vanaf zijvlakken kolom
betonstaal bijdragend aan
dwarskrachtweerstand
spanningsgebied
a
b
F
h
F
a
Eurocode 2-1-1, art. 5.6.4 en 6.5. De hellingshoek
?
moet minimaal 21,8º ten opzichte van de horizontaal
zijn. Er wordt op gewezen dat
? moet worden geme-
ten in het vlak van de kolom en de paal.
Een poer mag ook worden beschouwd als een ligger
belast op dwarskracht en buiging, waarin de buigende
momenten die maatgevend zijn voor de wapening, in
de zijvlakken van de kolom zijn gelegen. Voor nadere
informatie over het dimensioneren op buiging
wordt
verwezen naar de vierde aß evering van deze serie:
Liggers.
Dwarskracht en mogelijk ook pons (als paalafstand >
3 x paaldiameter) moet worden gecontroleerd. Figuur
6 toont een mogelijke benaderingswijze met de sne-
den voor dwarskracht- en ponscontrole [1].
Bij dwarskracht mag worden gebruikgemaakt van de
weerstanden vermeld in tabel 6. Als de dwarskracht-
weerstand van het beton zelf wordt overschreden, kan
de plaatdikte worden vergroot. Ook is het mogelijk de
hoeveelheid langswapening te vergroten of, minder
gewenst, dwarskrachtwapening aan te brengen. Er
moet op worden gelet dat de hoofdwapening volledig
wordt verankerd. Minimaal moet worden voorzien in
volledige verankering vanaf de binnenzijde van de
palen. Grote ombuigstralen kunnen vereist zijn. Als
de dwarskrachtweerstand in een poer wordt berekend,
wordt geadviseerd alleen het betonstaal mee te nemen
dat is gelegen in een strook met een breedte gelijk
aan driemaal de paaldiameter (Þ g. 7).
Als pons moet worden getoetst, moet dit plaatsheb-
ben in een doorsnede gelegen binnen 2d vanaf de
omtrek van de kolom (NEN-EN 1992-1-1 art. 6.4.4 (2)).
Gerekend mag worden met een gereduceerde dwars-
kracht volgens NEN-EN 1992-1-1 art. 6.2.2 (6).
O n g e w a p e n d e f u n d e r i n g e n
Strokenfunderingen en funderingsvoeten kunnen
worden uitgevoerd in ongewapend beton, mits aan de
volgende vereisten wordt voldaan:
De minimumhoogte van de funderingsstrook, h
F
(fig. 8), mag worden berekend uit:
h
F
>
a
_____
0,85
?
______
9
?
gd
_____
f
ctd
waarin:
?
gd
is de rekenwaarde van de gronddruk;
f
ctd
is de rekenwaarde van de betontreksterkte uit
Eurocode 2-1-1, vgl. (3.16).
Hoofdstuk 12 van Eurocode 2 heeft specifiek betrek-
king op ongewapende en lichtgewapende betoncon-
structies. Eurocode 2 kan eisen dat uit oogpunt van
scheurwijdtebeheersing in ongewapende funderin-
gen toch betonstaal wordt aangebracht. Echter, de
optredende buigtrekspanning is laag, esthetica is bij
funderingen meestal niet van belang en een eventu-
ele scheur behoeft geen invloed te hebben op de
duurzaamheid.
R e g e l s v o o r s t a a f a f s t a n d e n - d i a m e t e r
Scheurbeheersing
Zie de tweede aß evering van deze serie: Het begin.
Minimum-wapeningsverhouding langswapening
De minimumhoeveelheid langswapening is A
s,min
.
A
s,min1
= 0,26 f
ctm
b
t
d / f
yk
(NEN-EN 1992-1-1, art.
9.3.1.1 (1); zie tabel 8) > 0,0013 b
t
d met b
t
= breedte
trekzone.
A
s,min2
= 1,25 A
s
vereist in UGT (NEN-EN 1992-1-1, art.
9.2.1.1 (1) / NB).
A
s,min
is de kleinste van A
s,min1
en A
s,min2
.
Maximum-wapeningsverhouding langswapening
Buiten gebieden met overlappingslassen mogen de
trek- en drukwapeningsverhouding niet groter zijn
dan A
s,max
= 0,04 A
c
(NEN-EN 1992-1-1, art. 9.2.1.1 (3)).
6 | Maatgevende schuifspan-
ningsperimeters met
betrekking tot dwars-
kracht en pons voor
palen als de poer wordt
gedimensioneerd vol-
gens de ligger theorie [1]
7 | Spanningsgebied boven
de paal (breedte: drie-
maal de paaldiameter)
waarbinnen de buigwa-
pening bijdraagt aan de
dwarskracht weerstand
8 | Grootheden voor vlakke
funderingsstrook
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
V o o r s c h r i f t e n
cement 2008283
Minimumstaafafstand
De minimumafstand tussen twee wapeningsstaven
moet gelijk zijn aan (NEN-EN 1992-1-1, art. 8.2 (2) en
NB):
? de diameter van de wapeningsstaaf;
? de grootste korrelafmeting van het toeslagmateriaal
plus 5 mm;
? 20 mm.
Grote constructiehoogte
Bij een grote elementhoogte mag het advies uit Eu-
rocode 2 worden gevolgd dat geldt voor de lijven van
hoge liggers: de afstand tussen de wapeningsstaven
mag niet groter zijn dan tweemaal de liggerhoogte en
niet groter zijn dan 300 mm. Paalkoppen mogen aan
de zijvlakken ongewapend zijn, mits aldaar geen kans
is op het optreden van trekspanningen. n
L i t e r a t u u r
1. Webster, R. en O. Brooker, How to design con-
crete structures using Eurocode 2: 6. Foundations.
BCA / The Concrete Centre, UK.
Tabel 7 | Minimum-wapeningsverhouding behorende bij A
s , m i n 1
(betrokken op de nuttige hoogte d) (NEN-EN 1992-1-1,
ar t. 9.2.1.1 (1) en NB)
f
ck
f
ctm
minimum % (0,26 f
ctm
/f
yk
1
)
25 2,6 0,13%
28 2,8 0,14%
30 2,9 0,15%
32 3,0 0,16%
35 3,2 0,17%
40 3,5 0,18%
45 3,8 0,20%
50 4,1 0,21%
1
) Uitgegaan is van f
yk
= 500 N/mm
2
.
Symbolen
symbool omschrijving grootte
A
c
oppervlakte van de betondoorsnede bh
A
s
oppervlakte van de doorsnede van betonstaal
A
s, prov
oppervlakte van de doorsnede van het aanwezige ('provided') betonstaal
A
s, req'd
oppervlakte van de doorsnede van het vereiste ('required') betonstaal
d nuttige hoogte
d
eff
gemiddelde nuttige hoogte ( d
y
+ d
z
)/2
f
cd
rekenwaarde van de betondruksterkte
³
cc
f
ck
/
?
c
f
ck
karakteristieke cilinderdruksterkte van beton
f
ctm
gemiddelde axiale betontreksterkte 0,30 f
ck
2/3
voor f
ck
? C50/60 (NEN-EN 1992-1-1,
tabel 3.1)
G
k
karakteristieke waarde van blijvende belasting
h totale hoogte van doorsnede
l
eff
effectieve overspanning van een constructie-element NEN-EN 1992-1-1, art. 5.3.2.2 (1)
M rekenwaarde van het moment in de UGT
Q
k
karakteristieke waarde van variabele belasting
Q
k,w
karakteristieke waarde van variabele windbelasting
V
Ed
rekenwaarde van dwarskracht
v
Ed
rekenwaarde van dwarskrachtschuifspanning
V
Rd,c
rekenwaarde van ponsweerstand bij afwezigheid ponswapening
v
Rd,c
rekenwaarde van ponsweerstandschuifspanning bij afwezigheid ponswapening
v
Rd,max
rekenwaarde van de maximale ponsweerstandschuifspanning over de beschouwde snede
x drukzonehoogte
x
max
limietwaarde voor drukzonehoogte 0,8 (
? - 0,44) d met ? ? 1,0
z inwendige hefboomsarm
³
cc
coöfficiënt voor het in rekening brengen van langetermijn-invloeden op de druksterkte en
van ongunstige effecten veroorzaakt door de manier waarop de belasting is aangebracht
1,0 (NEN-EN 1992-1-1, art. 3.1.6 (1)P en NB)
´ factor ter bepaling schuifspanning bij pons
? verhouding tussen het buigend moment na herverdeling en het buigend moment uit een
elastische berekening
?
m
partiële factor voor materiaaleigenschappen 1,15 voo r betonstaal (
?
s
)
1,5 voor beton (
?
c
)
(NEN-EN 1992-1-1, art. 2.4.2.4 (1) en NB)
?
0
referentie-wapeningsfractie 10
-3
?f
ck
?
1
in de trekzone in het veldmidden (of: steunpunt bij een overstek) vereiste wapeningsfrac-
tie voor het opnemen van de rekenwaarde van het buigend moment uit de belastingen
A
s
/bd
?
0
factor voor de combinatiewaarde van een variabele belasting
?
1
factor voor de frequente waarde van een variabele belasting
?
2
factor voor de quasi-blijvende waarde van een variabele belasting
Reacties