Log in
inloggen bij Cement
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Alle kennis / Nieuws

“Gebouweigenaren verantwoordelijk kwaliteit”

7 juni 2011

Op 23 mei stortten vijf galerijplaten van de Antillenflat in Leeuwarden in, en op 1 juni een balkon in Rotterdam. De dagelijkse praktijk van beroepsvereniging VNconstructeurs, met voorzitter Johan Galjaard, heeft een directe link met deze gebeurtenissen. De beroepsvereniging is van mening dat eigenaren en beheerders van dergelijke gebouwen een eigen verantwoordelijkheid hebben bij de voorkoming van deze instortingen. Lees hieronder de argumentatie van VNconstructeurs.

“Eind mei zijn we in Nederland opgeschrikt door het plotseling instorten van galerijplaten in Leeuwarden. Hierbij zijn gelukkig geen slachtoffers gevallen. Op 1 juni was er het instorten van een balkon in Rotterdam. Ook deze keer zonder slachtoffers. De materiële schade en emotionele gevolgen voor bewoners en betrokkenen zijn echter enorm groot. En het verleden heeft al eerder bewezen dat het niet altijd tot schade beperkt blijft. Alle reden tot zorg.

Onderzoeken

Steeds wanneer er een calamiteit optreedt, wordt er een onderzoek ingesteld om na te gaan hoe een en ander heeft kunnen gebeuren. Zo ging het door de jaren heen met gevallen van het bezwijken van daken door overbelasting met water of sneeuw of het instorten van hele metselwerk gevels. Ook bij de ingestorte balkons in Maastricht in 2003 werden dergelijke onderzoeken ingesteld, en ook nu, in het geval van de galerijplaten in Leeuwarden en het balkon in Rotterdam, zullen er onderzoeken plaatsvinden om de oorzaken te achterhalen. En nu? Moeten we wachten tot er opnieuw ergens iets instort? Mogelijk dan wel met slachtoffers? Is dit te verantwoorden? Wat doen we met de resultaten van al die onderzoeken? Hoe gaan we het instorten van constructies in de toekomst voorkomen? VNconstructeurs is van mening dat we toe zijn aan een structurele aanpak van dit probleem.

De regels

Wanneer er een bouwwerk gebouwd wordt, heeft een constructeur de draagconstructie ontworpen en berekend. Met die berekening wordt aangetoond dat het gebouw als geheel en de verschillende onderdelen op zich, voldoende sterk en stabiel en dus veilig zijn. Er zijn wettelijke kaders waaraan ontwerpen en berekeningen moeten voldoen. Deze worden door gemeenten getoetst bij het verlenen van de bouwvergunning.

De praktijk

Wanneer het bouwwerk eenmaal (jaren) in gebruik is, weten we dat onderhoud noodzakelijk is om het gebouw in stand te houden. Als het houtwerk niet wordt geschilderd, gaat het rotten en wordt het op den duur onbruikbaar. Als het voegwerk niet tijdig wordt hersteld, dan kunnen vergaande vochtproblemen optreden. Maar ook constructies hebben onderhoud nodig. En dat weten we. Stalen constructies beschermen we tegen roest en bezwijken door ze tijdig te schilderen. Als we schade zien aan betonconstructies, worden er reparaties uitgevoerd. Het ‘zichtbaar’ onderhoud wordt goed verzorgd. Maar zijn we daarmee verzekerd van blijvend constructief veilige gebouwen? De recente gebeurtenissen wijzen uit dat dit niet altijd het geval is.

Het probleem

Voor een gebruiker of beheerder van een gebouw is het niet eenvoudig om vast te stellen of er, met het verstrijken der jaren, nog steeds sprake is van een constructief veilig gebouw. Het is voor hen onmogelijk de constructieve veiligheid op dezelfde manier te kunnen beoordelen als de constructeur. Bij professionele woningcorporaties is ongetwijfeld ruim voldoende bouwkundige kennis aanwezig, maar geldt dit ook voor inzicht in constructieve aspecten? Bij particuliere woningbezitters en Verenigingen van Eigenaren is dit vast nog moeilijker. Voor constructies geldt, net als voor het gehele gebouw: onderhouden is onderzoeken. Natuurlijk is niet elk onderdeel van de constructie even kritisch. Maar bij publieke gebouwen, appartementengebouwen en hogere gebouwen, zijn er beslist een aantal onderdelen waarvan de kwaliteit en constructieve veiligheid met het verstrijken der jaren zodanig achteruit kunnen gaan, dat het risico van instorten ontstaat.

Het is net als bij een auto: de staat van het lakwerk is niet echt bepalend voor de veiligheid. Maar de staat van de remmen of de stuurinrichting zijn dat wel. En daarom is het vreemd dat wij wel één keer per jaar naar de garage moeten om de conditie van deze cruciale onderdelen te laten keuren, maar bij constructies van gebouwen lijkt er geen verplichting en doen we het niet. Eigenaren van gebouwen hebben een wettelijke plicht om de constructieve veiligheid van hun gebouw in stand te houden. Hoe vaak zij belangrijke onderdelen moeten ‘keuren’ is echter niet geregeld. Als dan ook de juiste constructieve kennis ontbreekt en men zich niet bewust is van de mogelijke risico’s (‘onzichtbare’ gebreken), kunnen er calamiteiten optreden zoals het instorten van de galerijplaten over vijf verdiepingen in Leeuwarden.

De oplossing

Er zou een wettelijke plicht moeten zijn om de constructieve kwaliteit van gebouwen periodiek te controleren, net zoals er een APK voor auto’s bestaat. Zolang dit niet het geval is, moeten eigenaren en beheerders van gebouwen deze verantwoordelijkheid zelf nemen. Hoe moeten zij dit doen? Deskundig onderzoek kan de bestaande risico’s minimaliseren. Een gedegen deskundig onderzoek naar de constructieve veiligheid begint bij een risicoanalyse

van het gebouw door een constructeur. Daarna is het zaak om gerichte inspecties uit te voeren naar de conditie van de bewuste constructieve onderdelen zelf. Een visuele controle aan de buitenkant zal hierbij niet volstaan; vaak zal diepgaander onderzoek nodig zijn. Dit zal uiteindelijk leiden tot een keuring van de constructies en, net als bij de APK, de benodigde herstelwerkzaamheden. Dergelijke keuringen zouden eens per 5 á 10 jaar uitgevoerd moeten worden. De juiste aandacht voor constructies kan zo leiden tot minimalisering van risico’s op instortingen, en zorgdragen voor een veilige gebouwde omgeving.”

Reacties

Renda ©2024. All rights reserved.