Pagina 1
O n d e r z o e k & t e c h n o l o g i e
Voor schrif ten
96 cement 2008 5
Het ontwerpen en berekenen van betonconstructies met Eurocode 2 (9)
Stabiliteit
Dit is de negende en afsluitende aflevering in de reeks
over het ontwerpen en berekenen van betonconstructies
met Eurocode 2 [1]. In de eerste acht delen is relatief
weinig aandacht besteed aan stabiliteit van betoncon-
structies. Daarom is deze aanvulling opgesteld met stabi-
liteit als onderwerp.
Bij het beoordelen van de stabiliteit van een construc-
tie of van constructie-onderdelen is het beschouwen
van tweede-orde effecten volgens Eurocode 2 (NEN-
EN 1992-1-1) met bijbehorende Nationale Bijlage
noodzakelijk. Voor constructies in gebouwen mogen
deze effecten niet worden verwaarloosd als het bijko-
mende effect meer is dan 10% van de gevolgen van
de eerste-orde krachtsverdeling.
Bij het toetsen van de stabiliteit moet worden uitge-
gaan van de fundamentele belastingscombinaties
volgens NEN-EN 1990 [2,3] waarbij de windbelasting
de overheersende veranderlijke belasting is. In het
algemeen dienen twee combinaties te worden
beschouwd: de combinatie met een minimale nor-
maalkracht en de combinatie met de maximale nor-
maalkracht, beide gebaseerd op vergelijking 6.10b
van NEN-EN 1990:
minimale normaalkracht:
0,9 Gk
+ 1,5 Qk,wind
maximale normaalkracht:
1,2 Gk
+ 1,5 Qk,wind
+ 1,5 0,I
Qk,i
Bij constructies in gevolgklasse 1 (zie Eurocode 0
tabel B1 voor omschrijvingen) mag de belastingsfac-
tor 1,5 worden vermenigvuldigd met een factor KFI
gelijk aan 0,9; bij constructies in gevolgklasse 3 is KFI
gelijk aan 1,1. Zie hiervoor artikel B.3.3 van NEN-EN
1990. Aanvullend op deze belastingen moet volgens
art. 5.2 van Eurocode 2 ook rekening worden gehou-
den met een initi?le scheefstand van de constructie.
De grootte van deze scheefstand volgt uit:
i
= 0
h
m
waarin:
0
is de basiswaarde van de scheefstand, volgens de
Nationale Bijlage gelijk aan 1/300;
h
is een reductiefactor voor de lengte of de hoogte
van de beschouwde constructie;
m
is een reductiefactor voor het aantal dragende ver-
ticale elementen dat wordt beschouwd.
De scheefstand kan worden vertaald naar horizontale
krachten die werken op de stabiliserende constructie.
De horizontale krachten ten gevolge van de blijvende
belasting en de veranderlijke vloerbelasting kunnen
worden beschouwd als deel van de variabelen Gk
en
Qk,i
in de hiervoor beschreven belastingscombinaties.
V e r w a a r l o o s b a a r ?
Zoals gesteld mag het tweede-orde effect bij het
beschouwen van de stabiliteit van een gebouwconstruc-
tie worden verwaarloosd als dit effect kleiner is dan
10% van de overeenkomstige eerste-orde effecten, zie
art. 5.8.2(6) in NEN-EN 1992-1-1. Dit uitgangspunt is in
NEN-EN 1992-1-1 verder uitgewerkt tot de regel dat
tweede-orde effecten in gebouwen mogen worden ver-
waarloosd indien voldaan wordt aan vergelijking 5.18:
FV,Ed k1
ns
_______
ns + 1,6
Ecd Ic
_______
L2
waarin:
FV,Ed
is de totale verticale belasting waarvoor de sta-
biliteit wordt verzekerd;
k1
is een factor die in de Nationale Bijlage wordt
bepaald;
ns
is het aantal verdiepingen;
Ecd
Ic
is de buigstijfheid van de schorende elemen-
ten;
L is de hoogte van het gebouw boven het niveau
van de inklemming.
In de Nederlandse Nationale Bijlage is de factor k1
gelijkgesteld aan 0. De vergelijking is daardoor niet
meer bruikbaar. Dit is gedaan omdat uit studies is
gebleken dat de uitdrukking niet altijd tot een veilige
situatie leidt. Door het optellen van de buigstijfheden
van de schorende elementen kan namelijk een ver-
keerde inschatting worden gemaakt van het daadwer-
kelijke tweede-orde effect op ??n van de schorende
elementen. Bij constructies waarbij de stabiliteit
wordt gewaarborgd door een statisch bepaald systeem
van kernen, is de grootte van de windbelasting op het
element en de grootte van FV,Ed
namelijk afhankelijk
van de randvoorwaarden voor de vloerschijf en niet
van de buigstijfheid van het element. De verhouding
tussen FV,Ed
en de Ecd
Ic
voor het betreffende element
A r t i k e l e n s e r i e E u r o c o d e
Van de eerste acht artikelen in deze serie lag het initiatief bij Cembureau, het
Europees verband van Cementindustrie?n. Dit laatste artikel is een aanvulling
die is opgesteld door ir. S.N.M. Wijte (Adviesbureau ir. J.G. Hageman BV) en
dr.ir.drs. C.R. Braam (TU Delft, fac. CiTG). De volledige serie artikelen zal na
een herziening in gebundelde vorm beschikbaar komen. Informatie hierover ver-
schijnt binnenkort in Cement.